The future of football is feminine: slot

Ik wens Sawa een sakura toe. In de Japanse cultuur heeft de bloem een bijzondere betekenis. Vooral de sakura – sierkers – straalt een zekere filosofie uit: het intens genieten van de bloei van het leven, in het besef dat die van korte duur is. Deze sensatie heeft Sawa tijdens het FIFA Frauen Weltmeisteschaft 2011 meegemaakt, ondergaan en vooral zelf gecreëerd.

Homare Sawa! De vrouwelijke Xavi! Ze is echter vooral de eigen speelse – op het veld – en sobere – in de dagelijkse omgang – zelf. Ze droeg voor Japan de aanvoerdersband tijdens de lange weg naar het wereldgoud. Men verkoos haar tot Goldener Ball  – beste voetbalster – en tot Goldener Shuh – meeste doelpunten – van het toernooi. Niemand deed beter dan de spirituele leidster van de nadeshiko. De bijnaam van het Japanse nationale vrouwenteam heeft een dubbele betekenis: prachtige bloem, meer bepaald de roze anjer, en perfecte vrouw.

 

De 33-jarige Sawa scoorde in de finale met een sublieme ééntijdse en vanzelfsprekend lijkende intikker drie minuten voor tijd de gelijkmaker tegen de Verenigde Staten (2-2). Het was haar tachtigste doelpunt in 172 interlands. Ze verdiende haar eerste selectie op haar vijftiende, tegen de Filippijnen. Sawa nam deel aan vijf wereldbekers. Ze bepaalt het ritme van de kunst van het middenveldspel van Japan: tika taka, passing game, kurzpassspiel, beau jeu zoals het nog niet werd geopenbaard in het vrouwenvoetbal. Ze inspireert de offensieve kracht maar denkt tevens vanuit defensieve lijnen. Ze bekwaamde zich in de laatste bal: ze verkiest de subtiele toets – breed of diep – die de tegenstander misleidt, op het moment dat het te laat is om in te grijpen. Zie de heerlijke steekpass op Karina Maruyama die in de 108ste minuut van de kwartfinale de Duitse verdediging te kijk zette voor een recordpubliek van 17 miljoen verdwaasde televisiekijkers.

Na afloop ontrolde het ontroerde Japanse gezelschap de slogan To our friends around the world: thank you for your support. Dat herhaalden ze tot in de finale. Ze brachten de slachtoffers van de aardbeving en tsunami van 11 maart 2011 in herinnering. De coach toonde al eens beelden van de tragedie om zijn elftal te motiveren. Daarom vertolkten Sawa en haar gemiddeld tien jaar jongere ploeggenoten niet zomaar enkele voetbalwedstrijden. Ze speelden voor het helen van de wonde, uit liefde voor het bedroefde land.

Met deze boodschap wonnen ze sympathie in de rest van de wereld. Die palmden ze vervolgens ook in met hun natuurlijke nonchalance – schril afstekend tegen het opgefokte Amerikaanse teambuildingsgoeroegedoe – en met het technische meesterschap in het zich immer herhalende samenspel. De briljante balschool kenmerkte zich door de klassieke Japanse noblesse: een vorm van door Homare Sawa uitgedragen authentiek adelschap. In een eigenaardige combinatie van schuchterheid, discretie en zelfbewustzijn.

Zonder twijfel wordt ze in januari 2012 gekroond tot beste voetbalster van het jaar 2011. Dan volgt ze Marta op. En maakt ze meteen de cirkel van deze kroniek rond. In december 2007 bejubelde ik in de eerste aflevering de Braziliaanse voetbalacrobate. Zesentachtig verhaaltjes later besluit ik mijn feuilleton – in een moment van melancholie – met de bloem van de hevige maar kortstondige levenskunst. Ik wens Sawa een sakura toe.

 The future of football is feminine? Wie weet! Dank u beleefd.

The future of football is feminine, part two

Discover Football. The Female Perspective. Ontdek het voetbal vanuit het vrouwelijk perspectief!

En lees slogans als: ‘Football is encouter. Football brings people together. Football is culture.’ Toegegeven, uit mijn mond zou dit ongeloofwaardig en onbeholpen klinken. Daarom zeggen we dit niet zelf, we tekenen het op bij anderen. Ik reisde er zelfs voor naar Berlijn, voor het eigen gelijk heeft een mens iets over. Ik bezocht op zondag 3 juli de finale van Discover Football.

Men omschrijft het als het ‘sociale’ wereldkampioenschap. Het is een internationaal vrouwenvoetbal-, muziek- en filmfestival in stadionnetjes en sporthallen van de wijk Kreuzberg. Het evenement duurde een week en vormde een onderdeel van het FIFA Frauen Welmeisterschaft. Een jury onder leiding van wereldbekerhoofd Steffi Jones en DFB-voorzitter Theo Zwanziger selecteerde teams uit Togo, Rwanda, Kameroen, Brazilië, India, Israël-Palestina, Frankrijk en Duitsland. Niet op basis van technische kwaliteiten, wel voor de wijze waarop: ‘Fussball als Form des Empowerments marginalisierter Gruppen.’ Het gaat met andere woorden om ontwikkelingsprojecten voor vrouwen waarbij het voetbal een centrale plaats heeft gekregen.

Ik ontmoet Monica Besser, een Braziliaanse zangeres in Berlijn. Ze steekt de klassieke bossa nova in een modern popjasje en mengt invloeden van drum’-n-bass met soul. Ondanks haar nog jonge leeftijd, klinkt de stem diep en doorrookt. Ze begeleidt haar landgenoten van Estrela Sports, uit het hart van Rio de Janeiro: Female, Futebol, Favela.

 

Aan de voetbalschool in de favela schrijven meisjes van acht tot achttien jaar zich in. Monica Besser: ‘We vechten zowel voor de kwaliteit van hun leven als voor gelijke rechten. We willen hen van de straat houden, uit de handen van de drugshandelaars. Ze moeten eerst studeren, dan pas mogen ze voetballen. We leiden hen op tot uitstekende speelsters maar helpen hen ook in de deelname aan de samenleving.’ De invloed van Estrela Sports op de gemeenschap is intussen behoorlijk groot. Sinds de oprichting in 2009 namen meer dan 100 meisjes deel aan allerlei competities en educatieve activiteiten. Talrijke vrijwilligers geven op hun beurt enige zin aan hun bestaan. Naast het sportieve en het sociaal-culturele element trekt Estrela Sports ook een ondernemende troefkaart: toerisme en ondersteuning bij ontplooing van professionele voetbalinzichten.

‘Presidente’ Eliane Nascimento runt de club met stevige hand. Ze legt uit hoe drugstrafiek, prostitutie, geweld en criminaliteit de favela verpest: ‘We pakken de problemen aan op het basisniveau. We bieden onze voetbalsters zowel een warme thuis als een vorm van comfort. Dankzij het voetbal krijgen ze de kans om de klassieke rolmoddelen naast zich neer te leggen en een nieuwe identiteit op te bouwen. De meeste meisjes voetballen sinds hun kindertijd en koesteren een droom.’ Dat getuigt op haar beurt deelneemster Diana: ‘Voetbal is mijn therapie, het doet me mijn problemen vergeten.’

Estrela Sports gooide de ellende stukje bij beetje om. Dat deeltje van de favela’s heeft kleur gekregen. De club werkt ook een doelstelling uit op lange termijn. Muzikante Monica Besser neemt in 2013 deel aan het uitwisselingsprogramma tussen Duitsland en Brazilië: ‘We moeten het idee van een vrouwencompetitie uitdragen. Dan geven we deze meisjes een droom, kunnen ze misschien een carrière maken en houden we hen uit de klauwen van de ellendige traffic. Laten we dat verbinden met het WK 2014 en de OS 2016.’

Estrela Sports versloeg in de finale Espérance uit Rwanda met 4-1.

Buiten regende het onophoudelijk, binnen scheen even de zon.

Op het grote televisiescherm juichte het publiek voor doelpunten van Marta tijdens Brazilië-Noorwegen. Een uur later stonden de meiden van Estrela Sports te zwaaien met hun beker. Ze ontdekten het voetbal vanuit het vrouwelijke perspectief. Discover Football, the female perspective.

Wat mij betreft: the future of football is feminine!

 

 

 

The future of football is feminine, part one bis.

Steffi, ein Sommermärchen. De zomerdroom van Steffi. Die staat op het punt vervuld te worden. Van 26 juni tot 17 juli 2011: FIFA-Frauen Weltmeisterschaft 2011. Duitsland telt vandaag meer dan één miljoen vrouwelijke voetballers. Wie herinnert zich Steffi Jones? Waar wortelde zich die droom? In de zogenaamde probleemwijk Bonames in Frankfurt. Daar speelde de zesjarige Steffi (1972) pleintjesvoetbal. Tegen ongeveer alles en iedereen in. Op dat ogenblik verdween haar vader Ray – een zwarte Amerikaanse soldaat in Duitsland – uit haar leven. Op school werd ze gepest voor haar donkere huidskleur. Vanwege het gemengde huwelijk kregen haar ouders geen sociale woning toegewezen. Haar Frankfurtse moeder Liselotte probeerde haar angstvallig van de straat te houden, het nare voorbeeld van haar stiefbroer Christian indachtig. Die raakte in zijn puberteit verslaafd aan drugs en botste voortdurend op de grenzen van de wet. Hij doolde rond en vertoefde vaak in jeugdgevangenissen en instellingen. Steffi stapte ook even het foute pad op en specialiseerde zich in het onderdeel ‘winkeldiefstal’.

Het straatvoetbal blies haar leven kracht in. Als enige meisje hield ze onbuigzaam stand tussen de jongens in de zwaarste buurt van de stad. Ze stippelde voor zichzelf een eigenwijs plan uit: voetballen! In 2007 knoopte ze voor het laatst de veters los: 111 interlands voor Duitsland, de eerste voetbalster met een integratiepatroon. Een duizelingwekkend palmares: zes keer Duits en één keer Amerikaans kampioen, vier keer bekerwinnaar, twee keer de top in de UEFA Cup. En vooral: Weltmeister in 2003, Europees kampioen in 1997, 2001 en 2005. Het voetbal gaf haar Der Kick des Lebens, in de dubbele betekenis van het woord. Sinds 2008 bezocht ze alle zestien deelnemende landen als presidente van het organisatiecomité. Ze begeleidde telkens een workshop over de ontwikkeling van het vrouwenspel en bezocht een sociaal voetbalproject. Ze kondigde ook het uitgebreide programma van de DFB-Kulturstiftung aan: Spielraum 2011. Gender Kicks! Fussball ist Begegnung, Fussball ist Kultur!

Met een veelzijdig en veelkleurig totaalaanbod: meidenradio, modeshows, carnavalswagens, zangkoren, scholencircus, interreligieuze voetbalkampen, fanzine-workshops. Ook de klassieken stappen in het vrouwenvoetbalbad: filosofie, beelden kunsten, fotografie, literatuur. Geschichten die der Fussball schreibt! Sisyphos am Ball! De bars en clubs blijven niet achterwege en draven op het podium met experimentele muziekshows van videojockeys, met het dansspektakel 90 Minuten Rave en met de poëzietour Slam the WM. De negen speelsteden bieden een palet aan van verdiepende verhalen over de historiek en internationale dimensie van het vrouwenvoetbal: filmfestival, theatervoorstelling, wetenschappelijk onderzoek van de gezaghebbende Heinrich-Böll-Stiftung, kunsttentoonstelling rond het thema ‘homoseksualiteit’. Met als algemene lijn: ‘Frauen, Fussball, Frieden, Freiheit!’

Steffi, ein Sommermärchen speelt de sterkste troef uit bij het parallelle toernooi Discover Fussball (www.discoverfussball.de) in de Berlijnse multiculturele wijk Kreuzberg. Hier treft Jones de knelpunten van de eigen jeugd: vooroordelen en gebrek aan kansen. Vrouwenteams werden geselecteerd op basis van de emancipatorische waarden van hun werk.

 

 

Slum Soccer (India) zet zich in voor daklozen, verslaafden, kinderen van prostituées en bewoners van de slum. De speelsters vinden in het voetbal plezier, erkenning en een saamhorigheidsgevoel. Mifalot Hinuch (Israël) verbindt het spel om de bal met vredesopvoeding en versterking van de gemeenschapsbanden. Geregeld nemen duizenden kinderen deel aan programma’s. Het elftal staat open voor vrouwen uit zowel Israël, Jordanië als de Palestijnse gebieden. Dans la Ville (Frankrijk) situeert zich in een ‘getto’ en gebruikt het voetbal als statement: voor ruimte, respectvol samenleven en een hoopvol perspectief. Naast voetbaltraining biendt men cultuuraanbod en beroepsopleidingen aan. Half Time Talks (Kameroen) buigt zich over integratie van HIV-patiënten. Estrela Sports (Brazilië) biedt warmte en troost. Tegelijk vormt het voetbal het middel om uit de voorbestemde rollenpatronen te treden en zichzelf te herontdekken. Mit Heimvorteil (Berlijn) is organisator van Discover Fussball en linkt sport, amusement en maatschappelijk engagement op vrolijke en ernstige wijze aan elkaar.

Steffi Jones vertaalt haar persoonlijke levensgeschiedenis in de eigen campagnes. Met Ballance 2006 ontplooide ze een netwerk tussen het voetbal en het jeugdwelzijn rond zowel integratie – ‘Nein! Zu Rassismus und Gewalt!’ –  als ontplooiing van meidenvoetbal: ‘Girls & Boys in Ballance 2011’.

Met de groep ‘Drogenhilfe-Freunde für ex-junkies’ gaat ze actief op zoek naar buddy’s voor verslaafden. En onlangs begeleidde ze als coach de eerste vrouwelijke ploeg in het nationale toernooi van het…gevangeniswezen. Daders worden met hulp van de bal voorbereid op een tweede kans.

Ze verkondigt aan iedereen die het horen wil dat Fussball haar een levensdoel heeft geschonken: ‘Meine Beine hatten mich herausgetragen aus dem Frankfurter Problemviertel, aus der Perspektivlosigkeit.’

 Haar droom lijkt verwezenlijkt. Steffi, ein Sommermärchen! The future of football is feminine!

Rote Erde, Gelbe Wand, Echte Liebe.

Ik ga op zoek naar Jurgen Klopp. Vergeet Guardiola en Ferguson. No more Mourinho. Jürgen Klopp is dé coach van dit seizoen!
Het is de dag van het Duitse kampioenschap 30 april 2011. Picknikken in het park, de vrouwelijke voetbalfan is een feit. Partysfeer, wir rocken Dortmund. De spelersbus arriveert. Met de letters: BVB 09 ECHTE LIEBE!  De kleuren geel & zwart domineren de skyline, Schwarz wie Kohle, Gelb wie Bier. Dit is Borussia, het kloppend hart van de stad.

Ik zit alleen op een bank van das Rote Erde Stadion, daterend uit de jaren twintig van vorige eeuw. Oude betonnen staanplaatsen, klassieke bogen, ijzeren relingen en een atletiekpiste. De hoofdtribune schurkt aan tegen het Signal Iduna Park: meer dan 80.000 supporters, waaronder 25.000 op de staantribune Gelbe Wand. Futurisme mengt zich met archeologie. Voor mij kijken honderden hossende mensen naar een groot televisiescherm. Eén man beweegt zich voortdurend door het beeld. Hij zuigt de camera’s naar zich toe.

Daar is Jürgen Klopp (1967)!
Ik denk aan zijn afscheid van Mainz 05, zomer 2008. Twintigduizend roodwitten in de regen op het stadhuisplein. Zingend voor een snikkende man met een brilletje. Na 21 jaar – 13 als speler, 8 als trainer – ruilde hij het koldereske carnavalsoord in voor het roerige Ruhrgebied. Negen begrippen verschijnen op een televisiescherm en symboliseren zijn persoonlijkheid: vooruitgang, vriendschap, hart, trouw, menselijkheid, competentie, liefde, optimisme, plezier. Kloppo ten voeten uit, the-hero-next-door, de held van om de hoek. Met een T-shirt, een trainingsjekker en een baseball cap. Stoppelbaard, sigaar in de smoel, bril. Bril? Bril! In 2008 verkozen tot Spectacle Wearer of the Year. Vergeleken met Peter Fonda uit de cinemaklassieker van de sixties: Easy Rider. 

Zelfspot, charisma, grenzeloos optimisme én toch loert het ontploffingsgevaar om de hoek! Kloppo trapt al eens van woede een reclamebord om, struikelt over de netten wanneer hij juichend naar de fans loopt of slaat zijn bril stuk bij een kopstootomhelzing met zijn spelers. Zijn commentaar bij elk doelpunt van zijn team: Wooahaaraaooor! Zijn stijl: jeansbroek, trainingsvest, driftige coaching, emotionele intelligentie, pedagogische begeleiding en rechtlijnige uitspraken.  Hij liefkoost de ‘familiale anarchie’: eerst de familie, dan voetbal, voetbal, voetbal en vervolgens doet men wat men wil. Dat schrikt ‘deftige’ clubs als Bayern München en Hamburger Sport Verein af. Edoch niet de euforische fans van de staantribune Gelbe Wand, met wie hij zich vereenzelvigt: ‘Ohne Trainer gehen wir nicht nach Hause.’ 

Jürgen Klopp is zichzelf en gooit zijn zwakke plekken op straat. Tegelijk is hij bedreven in de sportwetenschap – universiteit Frankfurt – en de voetbalcoaching – universiteit Keulen – en weet hij waarover hij praat, eigenlijk meer: doceert. Zijn filosofie? De bal! De pressing, de jacht. De Sehnsucht boven de tactiek. Pure lust. Kracht verbonden aan cultuur. Aanvallen met passie. Agressief, snel spel, met stof tot nadenken. Tegelijk: de drang tot winnen. Het pyschologische schaakspel met de rivaal: voor de match grijnzend voor Van Gaal gaan staan. Geen team in de Bundesliga dat het spel vrolijker van verdediging naar aanval verlegde dan Borussia Dortmund. Geen elftal dat zich meer bediende van de combinatie techniek-diepgang.

Jürgen Klopp is een kind van de West-Duitse voetballente van 1972, net als geestesgenoot en bondscoach Joachim Löw. Das Kurzpassspiel, van het hoogste niveau, die Kunst des Fussballs. De alternatieve generatie rond Günter Netzer als frivole winnaar van het Europees Kampioenschap. De internationale pers dweepte met de Mannschaft: ‘Het is een plezier om naar de Duitsers te kijken. Ze brengen elegant en creatief voetbal met onbegrensde mogelijkheden.’ Daar haalde hij zijn inspiratie. De krant Frankfurter Allgemeine Zeitung dichtte Klopp de kracht van de eeuwige jeugd toe: ‘Romantiek wint van realisme. Het gevoel verslaat het geld.’

 Als mens straalt hij een principieel optimisme uit. Hij verkeert vrijwel steeds in goede stemming. Hij sloot aan bij de Evangelische Kirche en bidt elke dag. De ‘cult-coach’ hanteert een open geloofshouding, houdt van rituelen en komt tot rust in een kerk. Hij getuigt: ‘Geloof speelt zich vooral af in mijn hoofd en mijn hart.’ Hij verbindt zijn wereldbeeld met godsdienst en geschiedenis. Hij leest middeleeuwse literaire klassiekers, deelt de overtuiging van ‘het leven na dit leven’ en ziet in zijn christendom een morele leidraad. In een gesprek met een religieus-filosofisch magazine vatte hij het belangrijkste van zijn inborst samen als: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals wij ook vergeven aan onze schuldenaren.’ Deze zwaarwichtigheid brengt hij in de juiste verhouding met zijn zin voor absurde humor.

Jürgen Klopp heeft ook gevoel voor solidariteit. Zijn tweede vrouw Ulla Sandrock is auteur van kinderboeken. Ze schreef het tweeluik ‘Tom und der Zauberfussball’ en ‘Tom und der Zauberfussball in Afrika’. Over zelfbewustzijn, het maken van keuzes en het leren van samenwerking. En de wijze waarop voetbal daar een rol kan in spelen. Klopp keek een oogje mee en dicteerde het woord vooraf. Ulla Sandrock leidde een jeugdinternaat in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Ze betoogt: ‘Ik wil kinderen de cultuur en schoonheid van Afrika bijbrengen.’

Hij duikt geregeld op in de sector van het ‘Soziales Engagement’. Onder meer als ‘gezicht’ van de actie Fair Trade waar hij met een banaan in de hand poseerde voor een poster. Hij verleende zijn medewerking aan een campagne voor hernieuwbare energiebronnen. Met de uitspraak: ‘Ik ben een energieverbruiker. Als het hier naar zweet stinkt, dan ben ik dat.’ Hij dook ook de radiostudio in voor een voetbalhoorspel over emotionele momenten ten voordele van Roten Keil, een organisatie tegen kinderprostitutie.

Vanuit de Rote Erde zie ik hem verdwijnen in de dansende massa van de Gelbe Wand. Dat is echte Liebe. Oudere hippies voetballen in het park met Marokkaanse jongeren. De bal rolt in mijn richting. Ze nodigen me uit om hem terug te trappen. Mijn ingenieuze lobje blijft in een graszode steken.

Men scandeert en zingt Kloppo, du Popstar! Hier staat de Bono van het voetbal, de beste coach van het seizoen. Ik zocht en vond Jürgen Klopp.

‘Michel Preud’homme gedraagt zich voor de dug-out als een dorpsidioot. Keepers verkopen alleen maar onzin over voetbal.’ Also sprach Johan Derksen, de goeroe van Voetbal International. Meteen goed voor pagina’s krantenvoer in Vlaanderen en zelfs een rel op de Franstalige zender RTBf. Zijn wij allen dorpsidioten? De bromsnor had zijn zaakjes weer goed voor elkaar. Kassa! Kassa! Met nog een RTL-7-stukje-tomme-Pelgen-uitlach-televisie er bovenop.

Preud'homme

Dorst iemand Derksen tegen te spreken? Mij niet gezien. Ik ben alleen in gedachten ‘de beschermer van weduwen en wezen’, naar mijn favoriete stripfiguur, de antiheld Bert Bibber. Na een paar glazen Lindemanskriek besloot ik toch op te staan. Laat een mens zichzelf zijn! Ik verkies een molenwiekende Michel – op voorwaarde dat de emotie eerlijk is, dus niet zoals bij die kwast van een Mourinho – boven een klammehandjescoach. En daarom schrijf ik mijn pleidooi voor Preud’homme, voor de keeper als voetbalkenner. Waar komt die heftige gemoedsaandoening toch vandaan?
Het antwoord vindt men in… Mechelen.

Hij schittert in de zomer van 1994 op het podium van het wereldkampioenschap in de Verenigde Staten. De FIFA doneert hem met de eerste Lev Yashin Award – naar de legendarische Rus – en men roept hem uit tot keeper nummer één van het jaar 1994. Zijn voorgangers: Peter Schmeichel van Manchester United, Walter Zenga van Internazionale Milaan, Rinate Dassaev van Spartak Moskou. Michel Preud’homme presenteert…inderdaad… KV Mechelen. Kan het contrast scherper zijn? Retorische vraag, vanzelfsprekend antwoord. En toch is hij de beste en steekt er boven uit. Niet alleen in 1994, maar ook in 1990, 1989, 1988 en – waarom niet – in 1987. Toen werd Jean-Marie Pfaff (Bayern München) gelauwerd. Preud’homme popelt om de primus te zijn. Zelfs meer, zijn klassieke Latijnse opvoeding indachtig: primus inter pares. De eerste onder zijns gelijken, in wezen: hij die net boven de anderen staat. In zijn geval: op basis van klasse én werkethiek. Preud’homme is de éénling, die in een prozaïsche omgeving zijn limieten verschuift. Elke dag opnieuw, zeven seizoenen lang. Tot lichaam en geest verenigd zijn, al loert de overconcentratie al eens om de hoek en begrijpt hij niet dat er zelfs voor hem een denkbeeldige lijn van het protesterende lichaam loopt: tot hier en niet verder.
Het dagelijkse decor: een geschilderde goal – twee palen en een lat, in witte verf – op een versleten muur van bruine bakstenen. Tegen die muur: een ladder, voor als de ballen op het dak zouden vliegen. Voor die muur, modderbrij. Zo ziet het trainingsveld van KV Mechelen eruit. Duizenden schoten heeft hij hier gestopt sinds de zomer van 1986. Uit het zwerk plukkend, in de voeten klauwend, door zijn universum zwevend. Terwijl kauwt hij op een tabakspruim die hij uit bijgeloof onder zijn bovenlip duwt. Hij legt zichzelf discipline en gedrevenheid op. Nooit gezien, niet eerder en niet later: een beest! Coaches De Mos en Van Hoof zingen ter zake als een koor van eenstemmigheid. Hij eist die ernst ook van de collega’s, tot aan de opwarming voor de wedstrijd toe. Opvliegendheid bij verkeerd getrapte voorzetten, een zekere verkramptheid in de kleedkamer: hij trok wit weg volgens getuigenissen uit die tijd. Van de fixatie op dat ene wat op dat ogenblik van tel is: het stoppen van elke bal. Die dynamiek tast het team in goede zin aan. Het respect groeit, men weet: Preud’homme is onze zekerheid. Het geeft hem het noodzakelijke gevoel: ik ben hier de man.
Hij bant de sores uit zijn hoofd, duwt de zorgen van zijn vorige periode bij Standard naar de achtergrond: privéproblemen, profiteren van het leven, het omkoopschandaal, ‘feesten om te vergeten’, zware blessures, de beurtrol met rivaal Gilbert Bodart… De opsomming is eindeloos. De complete vernedering: men negeert hem voor het WK van 1986 in Mexico. Zelfs als derde man! Hij is op de dool, hij zit op een dood spoor. Mechelen geeft hem de staat van genade: wat een rendement! Tussen 1986-’87 tot 1990-’91: 18, 24, 18, 14, 24. De teller der tegendoelpunten! Hij wordt overstelpt met persoonlijke medailles: Gouden Schoenen in 1987 en 1989 en onophoudelijk de ‘Belgische doelman van het jaar’, liefst vier uitverkiezingen op een rij. Bekerwinnaar in 1987, Europacup – tegen Ajax – en Supercup – tegen PSV – in 1988, landskampioen in 1989.

In 1994 staat hij daar, als keeper van KV, de topper van de globe. In het spoor van Lev Yashin: de beroemde Russische zwarte panter, de grootste aller tijden, de legende van ‘the eccentric art of goalkeeping’. Het citaat is van Vladimir Nabokov, die zich in zijn vrije tijd amuseerde als amateur-ballenpakker. De schrijver, berucht om Lolita en vermaard om zijn dichtbundels en de roman De lach in het donker, getuigde over de aparte ‘kunst van het keepen in Rusland’: That gallant art has always been surrounded with an aura of singular glamour. Geschreven voor Lev Yashin, de zwarte spin. Weefde een web over het strafschopgebied. Regeerde met autoriteit en zelfbewustzijn. Dirigeerde zijn defensie, scherpte permanent de tactiek aan en ondermijnde de eigen zwakheden door intensieve arbeid. Hoge lichamelijke en geestelijke paraatheid. De kunst van het keepen, volgens de mythe van Moskou.
Heeft iemand – met enige zin voor overdrijving, hoewel – Yashin dichter benaderd dan de ‘Michel van Mechelen’?

Preud’homme, pseudoniem voor perfectionistische passie: hoe vermijden dat men zichzelf te kijk zet? De angst voor de blunder, bestaat de onhoudbare bal? Niet alleszins in the world according to Michel! Op het neurotische af, keepers zijn anders. Oefent het ambt – met zijn uitputtende training – speciale aantrekkingskracht uit op mensen met een bepaalde identiteit?
Eenzaam: een keeper is altijd alleen. Hypochondrisch: de ziekelijke vrees voor het kleinste kwaaltje. Wantrouwend: zal de bal mij te grazen nemen? Gek: het beoefenen van onverantwoorde lichamelijke risico’s.
Solitair en toch solidair: het individu organiseert het collectief, de doelman houdt met de ultieme redding het elftal overeind.
In 1994 is hij het springerige stadium voorbij. Zijn loopbaan is gelouterd, een aaneenschakeling van rise and fall. Met Standard van kampioen tot bankzitter. Met KV Mechelen van provincieclub tot Europacupwinnaar en terug. Met daarin één constante: Preud’homme blijft als een bezetene aan zichzelf werken. De soms onzekere ouderwetse lijnkeeper evolueert tot een bevelende meevoetballende doelman. KV is MP! Michel the Man!
De persoon-tussen-de-palen komt pas in het reine met zijn psyche als hij het conflict heeft gewonnen. Het gevecht met de elementen: wind, regen, zon maar ook coach, medespelers, publiek, pers. Als hij de zestien symbolisch heeft veroverd.
De filosoof Albert Camus (1913-1960) overleed enkele maanden na de geboorte van Preud’homme (1959). Hij kreeg in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur. Hij beschreef de absurditeit van het bestaan in zijn meesterwerken. Wat leerde hij zelf, als cafédoelman, van het keepen? Die ene levensles: de bal gaat altijd een andere kant uit dan je wenst.
Tussen 1986 en 1994 heeft Michel Preud’homme onophoudelijk getracht het onmogelijke tegendeel van deze wijze uitspraak aan te tonen.
Hoe zou de filosofie – en dus de wereld – er hebben uitgezien mocht Albert Camus Michel Preud’homme hebben gekend? De kunst van het keepen, volgens de mythe van Mechelen?

Helahola Johan Derksen: gun de coach van FC Twente – de keeper met de kennis van het voetbal – de uitbarstingen die bij zijn persoonlijkheid horen. Ziedaar mijn pleidooi voor Preud’homme. En dat allemaal dankzij een Lindemanskriek, het beste aller Belgische bieren. Leve de dorpsidioot!

Coach Celtic Glasgow met de dood bedreigd

Neil Lennon, ex-voetballer en huidig coach van Celtic Glasgow Football Club ontvangt een bompakket op zijn naam. Tris Godman, parlementslid van de sociaal-democratische Labour Party én prominente Celticfan ontvangt een bompakket op haar naam. Paul McBride, links-liberale advocaat van Neil Lennon én prominente Celticfan ontvangt een bompakket op zijn naam. Deze scènes roepen herinneringen op aan de donkerste dagen der apartheid in het Zuid-Afrika van de jaren zeventig. De feiten spelen zich echter af in Glasgow anno april 2011.

Neil Lennon (1971) is sinds 21 augustus 2002 – net voor de interland Noord-Ierland-Cyprus – het doelwit van doodsbedreigingen. Hij opent er zijn biografie ‘Man and Bhoy’ mee: ‘De telefoon rinkelde bij de BBC in Belfast. This is the LVF. If Neil Lennon takes the field tonight he will get seriously hurt. LVF staat voor Loyalist Volunteer Force, één van de meest extreme terroristische protestantste groepen van Noord-Ierland. Ik ben zelf een katholiek uit het dorpje Lurgan en ze verklaarden me schuldig aan een verschrikkelijke misdaad: I played for Celtic, the club which, despite being non-sectarian since its foundation, is seen as a totem of Irish Catholic nationalism.’ Lennon gooide begrijpelijkerwijs na 45 selecties de handdoek in de ring – hoe zoudt gij zelf zijn? – en speelde nooit meer voor zijn vaderland. Sindsdien geldt hij in Schotland als volksvijand nummer één, werd het doelwit van stereotyperende kritieken in de sensatiepers en van bedenkelijke publieke beschimpingen door de aanhang van aartsrivaal Rangers. Tegenwoordig staan en hij zijn familie onder voortdurende bescherming van de politie.

Bepaalde pipo’s van de pers blijven hardnekkig én simplistisch Celtic en Rangers in dezelfde zak van het religieuze fanatisme steken. Dat dwaalt, dat kent zijn klassiekers niet en dat bedrijft lazy journalism. Soms vraagt een conflict in het voetbal om een nuance. Op deze website werd reeds vaker het fundamentele verschil tussen beide clubs becommentarieerd: lees ons gesprek met Simple Mindszanger en Celticfan Jim Kerr (23 augustus 2010) en ons verhaal over de dodelijke aanslag van een Rangersgang op een groenwitte buurtwerker (2 juni 2009).

Voor de ongeletterden, nog één keer even een lesje ‘voetbaljongens/-meisjes & wetenschap’: Celtic werd in 1888 gesticht ter emancipatie van de katholieke Ierse migrantengemeenschap in Glasgow. De Ieren spoelden met duizenden aan in de zogenaamde Irish famine ships, op de vlucht voor de verdoemde hongersnood van 1846. Van bij haar oorsprong manifesteerde Celtic zich als open to all. In haar geschiedenis speelden talrijke voetballers (Kenny Dalglish) en coaches (Jock Stein) met een persoonlijke ‘protestantse’ of vrijzinnige achtergrond een beslissende rol. Celtic verbond zich ook met de Ierse burgerrechtenkwestie, met de strijd voor algemene sociale rechtvaardigheid en – de eigen roots indachtig – met de integratie van asielzoekers, vluchtelingen en nieuwe migranten in het Glasgow van de 21 ste eeuw. Het voorbije decennium genoot de Celtic Support overal in Europa een uitstekende reputatie met haar concept van ‘music & fun’: humor, melancholische folkgezangen en swingende poprock. Altijd ambiance!
De club kantte zich steeds tegen het zogenaamde sectarisme. Het is dan ook haar gewoonte niet in deze.

Rangers (1873) staat aan de andere kant van het maatschappelijke en politieke spectrum: het protestantse establishment, de Conservative Party en Brittannia Rules the World. Het sectarisme wordt beschouwd als onderdeel van de ‘traditie’: ‘The policy of not signing Catholics has been with the club since it was formed.’ Zo sprak de blauwe president John Lawrence vol trots in 1969. Twee jaar eerder, in 1967, triomfeerde Celtic in de Europacup der Landskampioenen met een ‘gemengd elftal’, waarbij enkel geselecteerd werd op basis van de voetbalkwaliteit. Onder het beleid van coach Graeme Souness bood Rangers pas in 1989 een eerste contract aan een ‘katholieke’ speler aan. Met een storm van protest bij de eigen baldadige blue order tot gevolg. Het uitsluiten van mensen op basis van hun geloof (katholiek) of origine (Ierland) was bij Glasgow Rangers dus gedurende ruim een eeuw een kenmerk van het huis. De ironie van het lot wil dat uitgerekend de vinnige voetballer Neil Lennon op zijn veertiende door de talentscouts van Ibrox werd ontdekt maar net omwille van het sectarisme de spreekwoordelijke deur op de neus kreeg.

Tussendoor een klein primeurtje van de http://www.meerdanvoetbal.nl: aanvankelijk probeerden de Schotse media de verijdelde aanslagen op Lennon, Godman en McBride te minimaliseren. Wegens te ‘explosief’ van aard, zullen we maar zeggen. Onderzoeksjournalist en mensenrechtenactivist Phil Mac Giolla Bhain – opgegroeid rond Celtic Park en tot in de jaren negentig schrijvend over de dagelijkse discriminatie in zijn geboortestad tegenover de Irish – lichtte via zijn blog op 20 april de put van het deksel. Roy Greenslade, professor journalistiek aan de Londense City University, rakelde de zaak op in zijn column in de Engelse kwaliteitskrant The Guardian en het werd wereldnieuws.

Genoeg geschiedenis, terug naar de brandende actualiteit. Precies deze week – 28 april – stelt de UEFA een onderzoek in naar het wangedrag van het Rangerspubliek in de duels met…PSV Eindhoven. Als gevolg van een decennium zich opstapelende incidenten in de sfeer van het hooligangeweld en het hatelijke spreekkoor – van het stukgooien van de ramen van de spelersbus van Villarreal over het dumpen van een hulpeloze dakloze in een fontein in Lissabon tot het tot puin slaan van het stadscentrum van Manchester – pleit Football Against Racism in Europe voor een sanctie. Alles draait rond de tekst van twee lijfliederen van de Blue Bears, die en masse worden geschreeuwd. Niet enkel tijdens duels van de Old Firm, het is de macht der gewoonte geworden.

Met name: The Billy Boys en The Famine Song. Wat denkt u van een versregel als: We’re the Billy Boys. We’re up to our knees in Fenian blood. Surrender or you’ll die? Die Billy Boys – de harde knapen van Rangers – beroepen zich op Billy Fullerton, de leider van een protestantse fascistische straatbende uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Fullerton spiegelde zich aan…de Ku Klux Klan en had – het nodige bloedspoor achterlatend – het gemunt op Ierse – Fenians – en joodse migranten in Glasgow. Een geintje? Geenszins! Omdat de UEFA in 2008 een dreigende vinger hief, geraakte het gebullebak enigszins op de achtergrond, verdwijnen deed het niet. Het repertoire werd bovendien meteen uitgebreid met The Famine Song. Lees weer even mee: From Ireland they came. Brought us nothing but trouble and shame. Well the famine is over. Why don’t you go home? Volgt u nog? Dit heeft een naam, het galmt over Ibrox Park en het heet: the ugly face of football.En zo is de Celtic-volgeling nog altijd ‘the nigger of Glasgow’. Maar hij lijkt in geen beding op de Rangers-fanaticus, wel integendeel.

Eigenlijk wou ik dit verhaaltje beperken tot die ene, alleszeggende en noodzakelijke zin: Set Neil Lennon Free!

12 april is de internationale dag van de straatkinderen. De Rode Duivels zitten in een opwaartse spiraal, na overwinningen in Wenen (Oostenrijk, 0-2) en Brussel (4-1, Azerbeidzjan). De Belgische voetbalmiserie stapelde zich het voorbije decennium op maar in ‘Ernst Happel’ bevolkten meer dan 2000 rood-geel-zwart ‘beschilderden’ de Red Devils Kop. In het Koning Boudewijnstadion zorgden 35.000 fans voor prettige gestoordheid. In de marge van de euforie kondigde Michel D’Hooghe aan dat hij ‘na 25 jaar het project Casa Hogar in handen van het stadsbestuur van Toluca legt.’

De Accion Casa Hogar – Diabolos Rojos ontstond in de Mexicaanse Wereldbekerzomer van 1986. Mexico 1986 vormt voor de Rode Duivels zowel hoogtepunt op als naast het veld. Na heroïsche partijen met verlengingen (Sovjet-Unie, 4-3, achtste finale) en zelfs strafschoppen (Spanje 1-1, kwartfinale) dribbelde Diego Armando Maradona de Belgen pas in de halve eindstrijd naar huis. De spelers – onder leiding van aanvoerder Jan Ceulemans en Eric Gerets – legden een deel van hun winstpremie opzij ten voordele van straatkinderen uit de industriestad Toluca. Dokter Michel D’Hooghe – destijds verantwoordelijke van de Belgische delegatie en van 1987 tot 2001 bondsvoorzitter – zette de schouders onder iets wat zou uitgroeien tot een uniek project in de internationale voetballerij. Als ik hem vraag om een terugblik, keert hij in gedachten meteen naar 1986: ‘We vergaderden met onze hotelhouders Ramon en Maria Teresa Martinez. We opperden het idee van een tehuis voor straatkinderen en we noemden het Casa Hogar: ons huis bij de haard. Straatkinderen behoorden tot het vaste beeld van de Mexicaanse maatschappij. De overheid besefte het probleem niet. Men had de Rode Duivels nodig om het nieuwe denken te ontwikkelen.’

Michel D’Hooghe en zijn vrouw Anne-Marie zochten vervolgens naar een elan in België: de vzw Casa Hogar verzamelde in 1986 via de eerste ‘De Nacht van de Voorzitter’ 25000 euro. Op het einde van de rit zou dit bedrag aanzwellen tot 150.000 euro per jaar via een steunsysteem van sponsors, individuele giften en de Koninklijke Belgische Voetbal Bond.

Vijfentwintig jaar later legt Michel D’Hooghe een mooi bilan voor: ‘We hebben ruim 500 kansloze kinderen voeding en opvoeding gegeven. Sommigen behaalden een universitair diploma. Er kunnen dertig kinderen verblijven. Buiten ligt er uiteraard een voetbalveldje.’ Omdat vanzelfsprekend slechts een klein segment van de straatkinderen van Toluca kon worden opgevangen, koos men voor een vernieuwende aanpak onder leiding van een plaatselijke psychologe: biblioteca! Vanuit Casa Hogar trok men naar de verpauperde wijken – zonder elektriciteit of watertoevoer – rondom de stad. De biblioteca biedt boeken aan, verlichting en een studeertafel. Ze fungeren ook als klaslokaal. Zelfs voor volwassenen.

Michel D’Hooghe noemt de biblioteca de mooiste realisatie van Casa Hogar. In 1997 opende hij zelf de eerste. Hij getuigt hoe een oude, ongeletterde vrouw op hem afstapte met een Larousse: ‘ Ze raakte zo onder de indruk van de bibliotheek dat ze al haar spaargeld had gebruikt om een woordenboek te kopen. Dat was voor mij een bijzonder emotioneel moment.’
Bij de viering van de twintigste verjaardag van Casa Hogar in 2006 genoot de zesde biblioteca stevige belangstelling. Intussen verzamelde het rondreizende gezelschap een slordige 6000 boeken. D’Hooghe hoopt dat het systeem – eens in handen van de overheid – kan evolueren tot een sociaal-cultureel centrum.
Na 25 jaar is het tijd voor Casa Hogar om op eigen benen te staan, oordeelt Michel D’Hooghe: ‘Zonder emotioneel te worden: dit is het mooiste dat ik heb gerealiseerd. Duizenden mensen leerden er lezen en schrijven. Ze maakten voor het eerst kennis met cultuur, wetenschap en geschiedenis. Er werden kooklessen georganiseerd en ook cursussen in hygiëne en kinderverzorging. Met spijt in het hart neem ik er afscheid van. Het leven van vele straatkinderen kreeg alleszins een nieuwe dimensie dankzij de werking van de Accion Diabolos Rojos – Casa Hogar ‘

Blijven de Rode Duivels de Belgen begeesteren? Wie weet! Voetballen voor ontwikkelingssamenwerking! Met de bal van de straat naar de school? Een Casa Hogar in Brazilië? En een halve finale op het WK 2014! Meer moet dat niet zijn.

Het Nederlands Elftal ontvangt op 29 maart Hongarije. Ooit predikten Hongaren de revolutie: de voetballers in het veld, de burgers op straat, de premier tussen het volk. Van 1950 en 1956 verleidden en verbaasden de Magic Magyars de wereld, met onder meer de gouden medaille op de Olympische Spelen van Helsinki in 1952. In 50 interlands verloren ze slechts één keer. Uitgerekend dan wanneer men niet in het zand wil bijten, met name op 4 juli 1954, in de finale van de wereldbeker in Zwitserland. Tegenstander: West-Duitsland (3-2), Hongarije was vanzelfsprekend de betere ploeg. Klinkt bekend in de oren. De Magische Magyaren zijn de eigenlijke uitvinders van het ‘totaalvoetbal’. Ze leefden in tijden van mislukte maatschappelijke omwentelingen, onder het juk van de stalinistische dictatuur.

Wie herinnert zich niet de Aranycsapat, het Gouden Team, van Puskas, Czibor, Kocsis, Grosics, Boszik en Hidegkuti? Op 4 juli 1953 kwam Imre Nagy – enkele maanden na de dood van Sovjet-dictator Jozef Stalin en als gevolg van een protestbeweging – aan de macht om de Hongaren een goed leven te geven. Hij presenteerde zich als een soort Mikhaïl Gorbatsjov avant-la-lettre: een hervormer met een verleden in de communistische partij.

Nagy liet zich echter niet controleren en ijverde meteen voor de combinatie van sociaaldemocratische overheidspolitiek met liberale mensenrechten. Hij sloot strafkampen, gaf de boeren meer land, hief het verbod op westerse literatuur op en kantte zich niet tegen jazzmuziek in de kroegen van Boedapest. Vooral hield Imre Nagy van voetbal. Op zondag bezocht de gepassioneerde liefhebber wedstrijden van zijn favoriete speler Ferenc Puskas.In bondscoach Gustave Sebes vond Imre Nagy een medestander. Sebes vertoefde graag in zijn voetbalverbeelding. Hij fantaseerde over een utopie, waarin hij individuele schranderheid bundelde aan collectieve klasse. Hij legde nooit de eigenheid van de mens aan banden.

De niet te vatten persoonlijkheidstructuur van zijn toppers Puskas (linkerspits), Czibor (linksbuiten), Grosics (doelman) en Kocsis (midvoor) stond dit hoe dan ook in de weg. De zonder nukken door het leven gaande Boszik (corrigerende middenvelder) en Hidegkuti (spelmaker) keerden op het veld eveneens de rug naar de verstarde denkbeelden. Men nam afstand van het strikte positiespel. Sebes bedacht twee nieuwe dingen, ze vormden de intro tot het totaalvoetbal: de kaatsende spits (Hidegkuti) en de opbouwende keeper (Grosics), de doelman als eerste aanvaller.

De prestaties van het nationale elftal veroorzaakten een golf van enthousiasme in het land en voedden de droom van de bevolking: vrijheid, welvaart en democratie. Is het toeval dat het Gouden Team nooit beter voetbalde dan tussen 4 juli 1953 – het begin van het mandaat van Nagy – en 4 juli 1954 – het begin van het einde van het mandaat van Nagy? Even goochelen met de statistieken: prestigieuze overwinningen in Rome (0-3), Praag (1-5), Wenen (2-3). Met als klapstuk: 3-6 (Hidegkuti 3, Puskas 2, Boszik 1) in Londen, op Wembley, 25 november 1953, the game of the century. De eerste Engelse nederlaag op eigen bodem. Industrie versus kunst, blokletterde de pers. Werd er ooit beter voetbal op de mat gelegd? Vermoedelijk wel, met name op 23 mei 1954, voor 75.000 dansende Hongaren in het immense nieuwe NEP-stadion-van-het-volk van Boedapest: 7-1, de zwaarste voetbalvernedering in de Engelse geschiedenis. Imre Nagy straalde. Had hij reeds de wereldbekerfinale van 4 juli 1954 in gedachten? Het lange wachten, het grote smachten! Poule: 9-0 Zuid-Korea, 8-3 West-Duitsland. Kwartfinale: 4-2 Brazilië, finalist van het WK van 1950. Halve finale: 4-2 Uruguay, winnaar van van het WK van 1950. Finale: 2-0 voorsprong na tien minuten tegen West-Duitsland. Goals van Puskas en Czibor.

De Hongaarse historicus Andrew Handler beschreef in zijn essay From Goals to Guns. The Golden Age of Soccer in Hungary 1950-1956 hoe de hele Hongaarse samenleving – van kunst over literatuur tot muziek – gebukt ging onder het door de dictatuur opgelegde ‘sociale realisme’. Met uitzondering van het ‘ongrijpbare voetbal’! Volgens Handler voerden de spelers een plezierstuk op: ‘Een vrolijk verhaal waarbij de ideologie niet verdedigd werd. Het publiek kon vrij ademen. ‘Vele toeschouwers vonden in het voetbal een toevluchtsoord om aan de dagelijkse politieke dwang te ontsnappen. De fans begrepen de kracht van de oppositie, verschillende spelers van de Aranycsapat (Puskas, Czibor, Kocsis, Grosics, Lorant) toonden openlijk of verdoken hun meningsverschillen met het regime. Er ontstond – via de voetbalverbeelding – een ruimte voor oppositionele meningsuiting: ‘The Aranycsapat felt like a breath of fresh air for a prisoner.’

Premier Imre Nagy luisterde met ingehouden adem naar het spelverloop in de finale van de wereldbeker. De verbijstering groeide met de minuut. Bedenk: Hongarije – West-Duitsland 8-3 in de voorronde en 2-0 binnen een handomdraai. Eindstand: 2-3. Voetbal is een spel en aan het einde winnen de Duitsers. De bevolking verbeet de teleurstelling niet. De plannen van Nagy evolueerden plots te traag. Ze werden ook door de partijtop gesaboteerd. Begin 1955 werd hij door een intrige vanuit Moskou – de Sovjet-Unie trok achter de schermen aan de touwtjes in Boedapest – uit het openbare leven gebannen. De bevolking rebelleerde in oktober 1956 maar de opstand werd in bloed gesmoord. Op 8 november 1956 schoten Sovjettroepen op de Boulevard der Martelaars de Hongaarse hoop aan flarden. In de vroege ochtend van 16 juni 1958 kreeg de geliefde voetbalminnende professor-premier Nagy de dood met de strop. Zijn beulen begroeven zijn ontziende lichaam onder een laag beton. Het liep ook slecht af met de Aranycsapat.

Na de opstand ontstond een ‘elftal in ballingschap’, dat als een voetballend Harlem Globetrottersgezelschap om den brode – en uit bittere noodzaak – exhibitiewedstrijden speelde in West-Europa en Zuid-Amerika . Sommigen maakten – Puskas bij Real Madrid en Czibor en Kocsis bij FC Barcelona – carrière in het buitenland maar zagen hun geboortestreek zelden of nooit terug. Imre Nagy was dood, net als het Gouden Team. De herinnering aan de verloren voetbalrevolutie doofde echter nimmer uit.

Yoga is het geheim van de vrije geest. Het schept innerlijke kracht en verkent onbekende energievelden in het lichaam.

Op 4 maart 1991 debuteerde een iele jongen in het eerste elftal van Manchester United. Twintig jaar, 865 wedstrijden en 158 doelpunten later prijken anno 2011 meer dan 30 prijzen op zijn persoonlijke palmares, waaronder 11 titels in de Premier League, de sterkste competitie ter wereld.
Hij verklaart zijn succesvolle loopbaan met een simpele zin: ‘Yoga tests part of your body that you just don’t use in football.’

Hij werd geëerd met de Freedom of the City of Salford en met een Master of the Arts of Salford Univeristy. De stad Salford koestert een geschiedenis van opstandigheid en geniet faam als meest rebelse deel van the Greater Manchester. Het is de industriële Dirty Old Town, uit de beroemde folksong van Ewan MacColl: ‘I met my love on the gas works wall, dreamed a dream by the old canal, kissed a girl by the factory wall, dirty old, dirty old town.’ Uit Salford stamt de klassieke rode fan van Manchester United, vereeuwigd in schilderijen van de kunstenaar L.S. Lowry. De gemeentelijke grens kruist de achterkant van Old Trafford. Hij woont er sinds zijn zevende. Maar neem de proef op de som en stel voor het standbeeld van Matt Busby de vraag aan willekeurige voorbijgangers: ‘Do you know Ryan Wilson?’ Of trek naar de Trafford Pub: ‘Who’s Ryan Wilson?’ Men blijft het antwoord schuldig. Want, wie is… Ryan Wilson?

‘I adopted her name so that the world would know I was mother’s son.’
Met deze zin verraste Ryan…Giggs in 2005 de publieke opinie in Engeland. De altijd lachende maar toch in zichzelf gekeerde Welsh Wizard weigert gedurende jaren interviews en geeft het mysterie van zijn afkomst slechts met mondjesmaat prijs. In zijn autobiografie Ryan Giggs (2005) legt hij zijn pijnlijke persoonlijke relaas bloot. Hij wordt geboren op 29 november 1973 in Cardiff (Wales), als kind van Danny Wilson (Sierra Leone) en Lynne Giggs. Danny gooit hoge ogen in het Engelse rugby maar schudt de verantwoordelijkheid van het vaderschap van zich af. Hij gedraagt zich grenzeloos agressief tegen Lynne en de vechtpartijen stapelen zich op. Hij wordt gearresteerd en het huis uit gezet. Ryan licht zichzelf graag toe als a mummy’s boy. Het respect voor zijn vader daalt met de dag en nadert het nulpunt: ‘Because I realized the rotten life he gave her.’ In 1987 valt de breuk niet meer te lijmen. De scène bij het afscheid is wrang en merkt de veertienjarige Ryan met een emotioneel litteken voor het leven. Hij zeult met de koffers van zijn vader en wacht met hem aan de bushalte: ‘We wisten dat het over was. Hij verbeurde zijn laatste kans, moeder gooide hem eruit. Ik had mijn twijfels of ik hem nog ooit zou terugzien. Ik zat naast hem. Ik huilde.’ Het contact brokkelt af, de wonden helen niet. Ontmoetingen blijven uit, op een zeldzaam en toevallig gesprek na. Ryan Wilson wordt Ryan Giggs. De zorgende zoon van de moeder: ‘my mum deserves nothing but respect’. De opverende jongen zonder vader: ‘as time goes by, my attitude to my father has hardened’.

Op dat moment heeft Ryan Giggs, duidelijk gezegend met de snelheid en de schijnbewegingen van Danny Wilson, zich in de kijker van Manchester United gevoetbald. Hij wordt getrakteerd op racistische uitlatingen. Zijn blanke huid maakt hem niet immuun voor opmerkingen over zijn donkerkleurige vader. Het is het tweede trauma uit zijn puberteit. Hij put er kracht uit. Hij schuwt, op rijpere leeftijd, de politieke controverse met rechts-radicalen niet. Hij leent zijn naam aan protesten van Kick Racism Out of Football tegen het British National Front. Hij beweert dat hij zijn ‘zwarte oorsprong’ nooit zal verloochenen. Vanuit die optiek is het begrijpelijk dat de ontmoeting met Nelson Mandela in de zomer van 1993 diepe indruk op hem maakt. Na een wedstrijd tegen Kaiser Chiefs in Johannesburg wordt hij, amper twintig, uitgenodigd voor een gesprek. De werkelijkheid in de sloppenwijken van Soweto opent hem de ogen. De spelers van Manchester United trekken tijdens de tournee door de townships en voetballen met de jonge Afrikanen: ‘They were all black lads. I was struck by how the whites play rugby, while football is the black’s game.’ In 2006 schudt hij Nelson Mandela opnieuw de hand. Hij aanvaardt het ambassadeurschap van ‘United for Unicef’ ter ondersteuning van diens Charity 46664 – een verwijzing naar zijn gevangenisnummer op Robbeneiland – in de strijd tegen HIV/Aids.

Giggs is de beste clubspeler van de voorbije twee decennia. Hij bezit de gave van de vervoerende versnelling, de ondoorgrondelijke dribbel en de gemeten voorzet. Ryan Giggs, Ryan Giggs, running down the wing. Intussen blijft hij wie hij is: een vrije geest uit Salford. Met yoga als zijn geheim.

Ryan Giggs verleent zijn medewerking aan de nieuwe DVD van Show Racism the Red Card. Deze wordt gebruikt in Britse scholen: http://www.srtrc.org

Café Den Tilt! Geen authentieker voetballokaal in de Lage Landen dan deze ruim honderd jaar oude-kroeg-met-stoof aan het Mechelse Vrijbroekpark. Op 26 februari krijgt daar het beroemde blonde stadsbier Gouden Carolus een extra kraag schuim en schalt het onsterfelijke en uit 1926 stammende Toe Malinois Vooruit door de boxen: “De club zal zegepralen, ’t is de club van geel & rood. Trotseert de hinderpalen, door dapperheid in nood!’ Over de Koninklijke Voetbalclub van Mechelen, in de volksmond Malinois/Malinwa.

Met wat geluk ontmoet je er Mark Uytterhoeven, de grensverleggende, onnavolgbare en prettig-gestoorde televisiemaker. Of je loopt er de Rotterdammer Piet den Boer tegen het lijf, de man die KV Mechelen in 1988 – 1-0 tegen het Amsterdamse Ajax – de Europacup der Bekerwinnaars schonk.
Misschien tref je er zanger Patrick Riguelle aan de toog, de beste Vlaamse rockstem. Hij stak de oude hymne in een nieuw kleedje op de CD The Yellow Red Dream, een prachtige verzameling voetbalgezangen. Zeker zie je er de aan blues verslaafde Henk Van Nieuwenhove, chef van Hattrick, het Open Stadionproject van KV Mechelen.
Op die dag, 26 februari, in 2003 realiseerde het comité Red KV – op initiatief van Mark en Piet, met hulp op de achtergrond van Henk en Patrick – de enige doelstelling die in de merkwaardige naam verscholen zat: inderdaad, de redding van KV.
Met de onuitputtelijke kracht van de fan power.
Tot op dat ogenblik strompelde KV Mechelen langs het klassieke kromme voetbalpad van die tijd, richting financiële ramp. De liquidatie dreigde, verplichte degradatie naar derde afdeling voorkwam de ondergang. Maar ziet, duizenden verstokte supporters wandelden de mars van de hoop en beantwoordden Uytterhoevens motto: we doen het gewoon zelf! Met een schenking van 1000 Euro per persoon of als geelrode vriendengroep.
Ik luisterde dus in die herberg Den Tilt naar de verhalen van Mark, Piet, Patrick en Henk. En trok een conclusie uit hun passie en strijd, naar de slotsong van de plaat: passie en strijd, liefde voor altijd, voor Malinwa. Volgens Uytterhoeven voelen de fans zich sinds 2003 de morele eigenaar van de club. Het principe van supportersinspraak staat voor altijd gebeiteld in het organigram: ‘Geen industrieel als voorzitter, dat is een achterhaald idee. En evenmin een cent zwart geld. Wel een nieuw soort voetbalvereniging waarbij de fans het gevoel krijgen: de Kavee is van ons.’ Piet den Boer aanvaardde het ambassadeurschap van The Foundation. De voormalige vedette inspireert het verhaal van meer dan voetbal: ‘Als voetballer wordt men aardig betaald. Daar mag best iets tegenover staan. Wie sociaal kwetsbaar is, moet voor het voetlicht. En profspelers krijgen automatisch een podium, dus heren, gebruik dat!’

Patrick Riguelle belichtte de muzikaliteit – heart and soul – van KV Mechelen:
‘Een liefde voor altijd, KV Mechelen is een levenslied met recht-uit-hart-sentimenten. De fans zingen ook in de juiste toon. Er is geen agressiviteit tegen de andere ploeg, wel applaus voor de eigen spelers. De Harmonie – het ensemble van blazers en slagwerkers – van KV Mechelen verbindt de generaties. Ze mixt de stijl van de jaren twintig van de vorige eeuw met die van vandaag. Ze stapt het veld op, stopt ter hoogte van de KV Kop en dreunt dan Toe Malinois Vooruit af. Iedereen joelt mee en verkeert in een staat van opperste geluk. Dan volgt het ingetogen You’ll Never Walk Alone en daalt een soort stilte over het volk. De sjaals in de lucht, de kroppen in de kelen. Passie en strijd, liefde voor altijd, voor Malinwa.’

Henk Van Nieuwenhove trekt een parallel tussen blues en voetbal: gevoel, belevenis, emancipatie.
‘Als hoofd van het sociale departement begrijp ik dat de mensen waarmee wij werken – thuislozen, gedetineerden, drugsverslaafden, asielzoekers – in vele gevallen fans zijn van KV die door allerlei tegenslagen aan de onderkant van de samenleving zijn beland. We voetballen elke week in de gevangenis. We organiseerden er ook een muzikale happening met de Harmonie en de Belgische blueslegende Roland. Hij musiceerde een reeks Prison Songs, nummers die in de gevangenis werden gecomponeerd. Bij zijn bekendste lied ‘Goodnight Irene’ klommen gedetineerden mee op het podium om te jammen.
Fan Power en communitywerking versterken elkaar. Het legioen is het sociale netwerk van een club. Wie denkt dat die club overleeft op basis van sponsoring en televisiegelden, dwaalt en begrijpt niets van voetbal. De belangrijkste schakel in het raderwerk is de supporter.’

Aan het eind van de avond laat ik mijn geest graag benevelen door een Mechels jeneverken. Er blijft genoeg helderheid in mijn hoofd aanwezig voor een gemotiveerde uitsmijter: het model KV-Mechelen is een voorbeeld voor noodlijdende Nederlandse clubs. Dankzij de fantastie van ‘fan- & funpower’: In passie en strijd, we doen het gewoon zelf.

Dat komt men te weten na een bezoek aan Café Den Tilt, die warme voetbalstaminee aan het Vrijbroekpark: Toe Malinois Vooruit!