Moussa Dembélé speelde enkele prachtige wedstrijden op de Olympische Spelen. Met een fantastisch doelpunt kapte hij de hele Italiaanse defensie uit in de kwartfinale (3-2). België eindigde vierde, als eerste Europese natie. De AZ-spits behoorde tot de uitblinkers van het toernooi. Ook in de moeilijke partijen tegen Nigeria en Brazilië liet hij creatieve flitsen in de kleine ruimte van het hoogste niveau bewonderen. Erfde Moussa, die zich als kleine jongen aan Patrick Kluivert spiegelde, zijn talent van zijn grootmoeder, in de jaren zestig één van de eerste voetballende vrouwen in Vlaanderen?

 

Het schilderij in de woonkamer in Antwerpen beeldt het gezin Dembélé uit. Dochter Assita prominent in het midden, moeder en vader op de achtergrond en zoon Moussa aan de zijkanten. Tilly Huygens, moeder van Moussa, heeft het geschilderd. Ze is selfmade kunstenares en ze gelooft in de improvisatie. In tegenstelling tot haar andere doeken zal ze dit nooit verkopen. Het is van haar, ze is het schilderij zelf.

Er hangt een meditatief aura rond, er steekt een flard boeddhisme in, een scheut familiale vreugde maar wie langer en dieper kijkt proeft ook een vleugje somberheid. Het schilderij leidt een eigen leven, het staat op de plaats waar Moussa de woonkamer opvrolijkte met zijn juichkreten en balkunstjes. Moeder Dembélé is fier op haar zoon maar vreest ook een beetje zijn doorbraak naar de internationale top. Het weekblad Voetbal International kondigde die al aan: Dembélé is rijp voor de Champions League. Want dan is hij écht weg. Via het schilderij blijft Moussa altijd in de omgeving. Daarom zal het ook nooit af zijn.

 

 

 

 

Moussa werd geboren op 17 juli 1987, als kind van een Vlaamse moeder en een Malinese vader. Moussa had aanleg voor sport en zijn ouders stuurden hem op zijn vijfde naar de atletiekclub. Intussen betoonde hij ook interesse voor voetbal. Zijn moeder liet hem niet op straat spelen maar maakte de helft van de living voor hem vrij om te voetballen. Met een mouchen balletje mocht hij jongleren. Ze plakte de lichtschakelaar af met tape en daagde hem uit om juist te leren mikken. Na uren oefening deed hij dat blindelings. Letterlijk alles, tot het televisietoestel toe, schopte hij stuk. Om zes uur ’s ochtends stond hij stiekem op om te ballen.

 

 

Hij is van kindsbeen af een fan van de Hollandse school. Hij keek altijd naar Studio Sport. Volgens hem beleven ze in Nederland meer plezier aan het voetbal. Hij zegt altijd dat Nederland piekt op techniek, snelheid van uitvoering en positiespel. In België gaat het om kracht en gestalte. Jonge talenten stromen er veel gemakkelijker door tot de top. Hij liet het grote Anderlecht links liggen en koos voor het bescheiden Willem II. Vandaag zit hij bij AZ. Moussa vertelt dat Van Gaal altijd hamert op de passeerbeweging, zodat de bal uiteindelijk als het ware aan je voet plakt.

 

Moeder Dembélé zoek haar inspiratie in een eigensoortig boeddhisme dat niet volgens de traditionele regels verloopt. Het is minder een spirituele invalshoek voor haar dan een filosofische. Een richtlijn voor het leven gaf ze Moussa mee: respect voor andere mensen; materialisme is niet belangrijk; ga op zoek naar je eigen weg.

 

  

Moussa ervaart zichzelf als Belg én Malinees. In zijn jeugd had hij wel eens last van racisme. In de buurt van de Antwerpse topsportschool werd hem de toegang tot bepaalde cafés geweigerd. Buitenwippers hielden steeds wel een stekelige opmerking in petto om hem niet toe te laten. Dat maakte zijn moeder tegelijk woedend en triest! Zij voelt zich aangetrokken tot de warmte en levendigheid van Afrikaanse mensen en zoekt er vaak haar vriendschappen. Vader Yaya vertrok op het einde van de jaren zeventig uit Mali nadat zijn beide ouders overleden waren. Hij zocht naar het geluk en vond het, via een tocht langs familie in Parijs, in Antwerpen.

 

Als Moussa in het spoor van Yaya naar Afrika trekt, voelt hij zich één met de Malinezen. Hij is trots op zijn culturele wortels en heeft een droom: hij wil er later een boerderij te kopen en aan straatkinderen een opleiding geven. Hij zet daar nu al een centje voor opzij. Het boek over het leven van Nelson Mandela heeft hem echt aangegrepen. Hij hoopt dat zijn ideaal vroeg of laat in vervulling zal komen. Vandaag is hij vooral bekommerd om zijn grootmoeder, van wie hij de voetbalgenen heeft gekregen. Ze is 75 en lijdt aan Multiple Sclerose. Ze vecht al meer dan dertig jaar tegen deze hardnekkige ziekte. Ze is helemaal verlamd en kan enkel nog via een computertje bewegen. Maar ze is helder van geest en ze houdt nog steeds van voetbal. Moussa laat al zijn wedstrijden opnemen. Zij is zijn grootste fan en volgt hem via de videobeelden. Ik kijk elke dag naar Moussa, zegt ze. Zij is altijd in zijn hoofd.

 

Moeder Dembélé zwijgt even en grijpt weer naar haar penseel. Het schilderij krijgt een nieuwe glans.

FC Twente speelt tegen FC Arsenal in de voorronde van de Champions League. De mijmeringen aan het in memoriam voor Highbury (1913-2006) tieren nog welig.

 

In Celluloid Heroes dicht Ray Davies, de zanger van The Kinks: Everybody’s a dreamer, everybody’s a star. Everybody’s in movies, it doesn’t matter who you are. Vanuit Café Drayton Park staar ik naar het modernistische Emirates Stadium van Arsenal. Het nieuwe voetbalpaleis met 60000 plaatsen blinkt in de zon. Ik bestel een koffie, maar dat is niet naar de zin van de gezette waardin, een Daisy-achtig -type uit de humoristische Engelse serie Keeping up Appearances: ‘We don’t do coffee babe. What do you want darling?’ Ik vermijd nog net twee borsten op mijn schouder en vlucht onder de grijnzend-spottende blikken van mannen-met-halve-liter-Guinessbier-aan-de-toog de kroeg uit.

Ik duik ‘onder’ in de wijk ‘Highbury’, op zoek naar het oude stadion en vind Gillespie Road, de boulevard of broken dreams van de Gunners. Ik wandel in gedachten mee met Ray Davies, één van mijn favoriete songsmids. The Kinks genieten wereldfaam door simpele, stampende rock’n rollhits uit de jaren zestig als Lola, You really got me en All day and all of the night. Ray Davies had meer in zijn mars. Met een reeks conceptelpees – Misfits, Preservation Act, Schoolboys in Disgrace – hekelde hij in de midden van de jaren zeventig op satirische wijze de onvolkomenheden van de Engelse samenleving en hield pleidooien voor het behoud van waardevolle historische landschappen. Zoals Highbury.

 

 

 

Bij de verhuis naar het Emirates Stadium in de zomer van  2006 viel de zanger ten prooi aan verlatingsangst. Hij haalde emotionele herinneringen op in de krant The Times: ‘Ik zal het oude stadion missen. Highbury is het zorgeloze en vrolijke deel van mijn kindertijd en jeugd geweest. Op mijn vijfde stapte ik tussen de massa van bijna 50000 mensen aan de hand van mijn vader naar Arsenal. Hij wijdde me in: Highbury was als een heilige plaats voor hem, hij had al de kampioenschappen van de jaren dertig gevierd. Ik stond met mijn broer Dave op de North Bank en zag er de Busby Babes in 1958 met 5-4 winnen, vier dagen voor het elftal van Manchester United de vliegtuigramp niet overleefde. Ik keek met ogen open hoe George Best met zijn goocheltrucs onze defensie pijn deed. Ik beleefde de beruchte owngoal van George Graham tegen het Ajax van Johan Cruijff en juichte bij de fenomenale doelpunten van the great Charlie George toen we in 1971 de dubbel wonnen: magnificent days indeed! Mijn hart doet pijn want ik weet dat ik nooit meer de lanen naar Highbury zal aflopen, tussen duizenden andere Arsenalfans. Een sentimentele die-hard als ik treurt om het verlies van een monument, het verdwijnen van een landschap.’ Goodbye Gillespie Road.

Het verval is niet te stuiten. De ooit felkleurige arbeidershuisjes bladderen af. Highbury is een ruïne. Een oude, dronken man waggelt naar de bouwput – er komen appartementsgebouwen in de plaats – en verliest zijn weg. Letterlijk en figuurlijk. Woonde hij ooit de inspirerende activiteiten van Arsenal for Everyone bij? Met het ‘Sports Centre for the Homeless’, waar voetbalcoaches tijdens de week hun diensten aanboden aan daklozen en risicojongeren. En met ‘Arsenal and Maimonades’: ter verbetering van de relatie tussen joden en moslims in Londen. Tijdens zondagochtendsessies speelden kinderen van beide gemeenschappen samen en werden de vooroordelen op pedagogische wijze aan de kant gezet. Op de legendarische staantribune North Bank mengden zich, volgens literaire getuigenissen, mensen uit de verschillende migrantengemeenschappen rond Highbury in een natuurlijke beweging met de traditionele Engelse fan: ‘Joden, Ieren, Grieken en Afro-Carribeanen maakten er een gezellige smeltkroes van.

Iedereen was er een beetje een ster, op zijn manier,  en droomde weg over een rol in de film van het dagelijkse Arsenalleven. Je werd er geaccepteerd zoals je was.

Everybody’s a dreamer. Everybody’s a star. Everybody’s in movies. It doesn’t matter who you are. Zoals ooit Ray Davies zong.