Waarde heer Platini,

 

FBL-EURO-2008-AUS-UEFA-PRESSER

 

Op 18 februari luisterde ik in het Europees Parlement in Brussel naar uw hervormingsplannen voor het voetbal. Het viel me op dat u ook aandacht schonk aan het begrip ‘sociale waarden’. Ik wilde een simpele vraag tot u richten maar twijfelde te lang of ik ze in de taal van Shakespeare – niveau steenkolenschots – of Molière  – niveau banlieufrans – zou stellen. Intussen eisten opdringerige Spaanse en Italiaanse parlementsleden de micro op en ze vuurden zonder enige taalbescheidenheid oppervlakkige opmerkingen af over scheidsrechterlijke dwalingen en andere onzin.

Waar ik aan dacht: hoe kijkt u aan, mijnheer de president van UEFA, tegen het eenvoudige principe om elke betaald voetbalclub in Europa te omkaderen met een professioneel sociaal departement?

Er is een nieuwe dimensie in het spel, die heet maatschappelijk verantwoord voetballen.

Zal ik ze even aan u uitleggen?

Wist u dat zij zich op het einde van de jaren tachtig ontspon vanuit de Engelse spelersvakbond? Met het vinnige verhaal van Football in the Community werden de clubs aangepord zich tot gemeenschapsbindende factor te ontwikkelen. Als antwoord op het uitdijende hooliganisme.  De Engelse voetbalfan gold toen volkomen terecht als de meest barbaarse – dronken, gewelddadig en racistisch – van Europa.  En kijk, now it’s time for something completely different: volgens een wetenschappelijk onderzoek van de National Fan Survey 2006-07 is enkel het eerste adjectief van de opsomming – de drank – onderdeel gebleken van een onuitroeibare traditie.  Immers: 97% van de supporters schraagt zich achter het rolmodelschap van spelers en 82% gelooft in de positieve kracht van de voetbalvereniging: ‘The role of The Premier League as a wider force for social good.’ Dat we dit nog mochten beleven!

 

Vindt u ook dat de toestroom van snoeverige zakjapanners in maatpak rond de bestuurskamers dreigde het voetbal van zijn historische wortels af te snijden? Deze mosterd haalde ik bij de gezaghebbende sportwetenschappers John Sudgen en Alin Tomlinson, auteurs van How Big Money is Hijacking World Football (1999). Graag hun citaat ter staving van mijn standpunt: ‘We geloven dat het topvoetbal moet geleid worden door eerlijke, erudiete mannen en vrouwen die het belang van de sport voorrang geven op hun persoonlijke macht, bankbalansen en prestigieuze aanwezigheid op party’s van de jetset.’ Die zit, ziet u? Met de tegenbeweging der positivo’s valt niet te spotten!

 

Ik goochel nog even voor u met cijfers en een WRR-achtig begrippenkader: solidariteit, duurzaamheid, sociale inclusie, integratie, en cultuur scoren hoog op de waarderingsschalen van de hedendaagse Engelse supporter, met name van 7,3 tot 8,4 op 10! ‘Community engagement is now waven into the fabric of football.’ U ziet, wie het terdege organiseert, boekt resultaat. De Premier League investeert jaarlijks 20 miljoen euro in zijn samenlevingsprojecten!

 

Het vuistdikke slotrapport over het WK in Duitsland bevalt van gelijkaardige besluiten. Ik diep nog even voor u op omdat het als eerste wereldkampioenschap gold met sociale omkadering. Een inslaand succes!  Fussball WM 2006. Abschlussbericht der Bundesregierung (januari 2007) behandelt zakelijk de geslaagde kruisbestuiving tussen voetbal en cultuur (3,5 miljoen bezoekers bij tentoonstellingen en opvoeringen), duurzame ontwikkeling (75% van de supportersverplaatsingen met het openbaar vervoer en het energieverbruik afgestemd op de Kyoto-doelstellingen), welzijn & onderwijs (205 scholen met 34.000 scholieren namen deel aan campagne Fair Play for Fair Life, met als uitgangspunten Fair Trade), en gezonde beweging (Deutschland bewegt sich). En dan te bedenken dat we met de apotheose de rij afsluiten: de fanfeesten volgens het motto Meet & Greet!

 

De gezaghebbende Professor Gunter Pilz van het Institut für Sportwissenschaft rondde in december zijn onderzoek omtrent dit curieuze verschijnsel af.

Supportersgroepen stroomden – op georganiseerde wijze – voor de wedstrijden vreedzaam samen in het centrum van de stad en genoten tijdens de ‘Public Party’ van sportieve, muzikale en culturele animatie. Gevolg: veel vrouwen, families en vriendengroepen kwamen op de fanfeesten af, ook al bezochten ze de wedstrijd niet. Het fanfeest werd dus een evenement op zich, met een hoog Woodstock- en Love Paradegehalte en honderdduizenden prettig gestoorde en gepassioneerde deelnemers.

Dorre en doodsaaie Duitsers dacht u? Ze zijn nog steeds niet van hun dolle wereldbekerzomer bekomen!

Ik zet het vizier even op scherp: het voetbal staat voor een cruciale keuze. Tussen fun, verbroedering en gezelligheid of vulgaire spreekkoren, geweld en racisme. Tussen solidariteit met de gemeenschap of de onredelijke eisen van beursprofiteurs die de clubs op de rand van het bankroet hebben gebracht. De nieuwe dimensie van het spel – in Nederland intussen op de sporen gezet door de Stichting Meer dan Voetbal – heeft een naam: maatschappelijk verantwoord voetballen!

 

Waarom ontwerpen Uefa en EU niet één gestroomlijnde synthese? Volgens een rechtvaardige financiële verdeelsleutel: 50% naar salarissen, 25% naar jeugdopleiding/vrouwenvoetbal, 15% naar de infrastructurele vernieuwing – beter comfort volgens de regels van de ecologische duurzaamheid – en 10% naar de combinatie sociale projecten-supportersbegeleiding. Ik werp maar een balletje op. Wie neemt bij het initiatief? U, dear mister president? Change Michel Platini! Yes you can!

„Het is 7 april 1968. Ik ben acht jaar. De televisie is nog geen gemeengoed in Vlaanderen. Mijn vader heeft, als handige doe het zelver, een toestel van a tot z in elkaar geknutseld. Rond het scherm wordt een houten bak geplaatst. We zoeken naar Holland-België. De halve buurt kijkt mee. Het zwartwitte beeld is voortdurend ondergesneeuwd. Vader is een televisiepiraat en betaalt geen kijk- en luistergeld. Toch horen we hoe Rik De Sadeleer met overslaand enthousiasme in de 59 ste minuut het doelpunt van Johan Devrindt toejuicht. België verslaat Nederland met 1-2. Het is feest in de straat. ‘Dat hebben we die kaaskoppen goed gelapt.’ Sigarendoos en whisky gaan rond. Achteraan in de tuin lurken de bengels van de buurt aan hun eerste sigaretje. Ik sluit mijn eerste Derby der Lage Landen winnend af. Met een zege in Amsterdam nog wel, het zal mij de rest van mijn leven niet meer overkomen. Het voetbal zal mij de volgende maanden opslorpen. In mei 1968 beleef ik mijn eerste cultuurshock. Ik zie hoe George Best zich met Manchester United de legende indribbelt en de Europacup der Landskampioenen streelt. Een week later steekt Raoul Lambert namens Club Brugge de Belgische beker de hoogte in. George Best en Raoul Lambert, ze zullen mijn twee idolen voor het volgende decennium worden. Een wereld van uitersten. Best wordt de vijfde Beatle genoemd wegens zijn treffende gelijkenis. Hij is de eerste die de rock’n roll en de sixties style in het voetbal brengt. Raoul Lambert is het brave Brugse boegbeeld en zal tot bij zijn afscheid in 1980 elk spoor van de tijdgeest aan zich voorbij laten gaan. Mijn licht gecompliceerde persoonlijkheid staat me dan al toe om intuïtief mijn waardering te uiten voor zowel de bescheiden-werkmens-in-dienst-van-de-gemeenschap Lambert als voor de individualistische non-conformist Best.

Ik dompel me volledig onder in het wereldvoetbalbad.  Ik ontdek de rijkdom van het arte de futbol: het Beautiful Team van Pelé, Jairzinho, Carlos Alberto, Gerson, Tostao en Rivellino. Wereldkampioen Brazilië 1970: voetbal uit stand, in slow-motion, witte en zwarte benen die de bal ongrijpbaar rondspelen. De Seleçao Caraninha, een voetbal-fata-morgana van gratie en grandeur. Is dit werkelijk gebeurd? ‘Het enige team dat ons voetbal heeft benaderd,’ doceert Pelé later, ‘is het Oranje van Cruijff in 1974.’ Precies dat Oranje van Cruijff frustreert de Duivels enorm. In vergelijking met de zelfbewuste Nederlanders zijn de bange Belgen ‘brave broeders’. En toch, en toch! Op een autoloze zondag in de herfst van 1973 draait Kazakov ‘zijn kazak’, zegt men bij ons. Hij keurt een geldig doelpunt van Jan Verheyen onterecht af. België blijft steken op 0-0. Mijn ontgoocheling ruimt snel baan voor twijfel. Sympathie voor Oranje steek zowaar de kop op. Ik bewonder Willem van Hanegem, zijn kromme ballen en aantrekkelijke arrogantie. Ajax, Amsterdam, avontuur, sexy voetbal, hippielook. Het doet me als Kempische puber verlangen naar meer. Ik lig dan al in de knoop met mezelf en hoop vurig dat Oranje wereldkampioen wordt. Ik kies voor lang haar en baard, steun Bloed aan de Paal, de actie van Bram Vermeulen en Freek de Jonge tegen de Mundial 1978 van de muffe militairen in Argentinië en luister diep geroerd naar de verhalen over de Dwaze Moeders. Ik voer mijn eigen strijd tegen de commercie in het voetbal. Ik opteer voor de gebleekte, zelf afgeknipte en dus uitgerafelde jeans als eigentijdse keepersbroek en wijs de mooie zwarte uitrusting die de sponsor van ons zaalvoetbalploegje mij aanbiedt stuntelig af. Mijn doelmannencarrière eindigt op de laagste trede van het Vlaamse cafévoetbal, maar ik denk wel dat ik Cruijff imiteer. Die eiste ook Puma in plaats van Adidas of speelde niet. Johan Cruijff gaf de richting aan van het professionalisme. Bij ons hadden ze er amper van gehoord. Het leek allemaal zeer vooruitstrevend, vernieuwingsgezind en modieus. Oranje beheerste in de jaren zeventig het wereldvoetbal, de Belgen schreven slechts voetnoten in de geschiedenis. In de luwte bouwde een bescheiden diplomaat aan een nieuw team. Guy Thys zal uitgroeien tot ‘the grand old man’ van het Belgische voetbal. De jaren tachtig waren voor zijn Rode Duivels. Eric Gerets, Luc Millecamps, Jan Ceulemans, Walter Meeuws en René Vandereycken, mannen met stoppelbaarden. Tough guys met veel voetbalverstand. Jack Daniels en Zino Davidoff zijn steeds in de buurt. Ik identificeerde me er graag mee. Belgen zijn op hun best als ze hun zin mogen doen. Tegen alle conventies in. De Belgische voetballer overleeft in een sfeer van valse nonchalance. Met whisky, sigaar en stoppelbaard komt het wel weer goed met het vaderland.’

 

Deze inleiding schreef ik in 2000, als mede-auteur met Matty Verkamman- in het boek ‘Rode Duivels & Oranje Leeuwen, 100 jaar Derby der Lage Landen’.

Dit alles maar om te zeggen dat er intussen 124 Derby’s tussen België en Nederland zijn gespeeld. Mijn pleidooi is om als de bliksem jubileumnummer 125 te organiseren en er een jaarlijkse gebeurtenis van te maken. Wie zit er te wachten op oefeninterlands als Nederland-Australië op België-Slovenië? Dus lanceer ik een SOS-oproep ten voordele van de Derby der Lage Landen. Ik pleit, in het kader van de nieuwe zingeving rond het spel om de bal, graag ten voordele van een ‘ goed doel’. Een Kinderdorp in Afrika, Azië of Latijns-Amerika is gauw gevuld. En vooral: mijn gevoel zegt dat de Rode Duivels – Dembélé, Dembélé – winnend zullen toeslaan! Wat denken jullie, beste Hollandse voetbalvrienden?