The United Colours of Football. Football Against Racism in Europe! Zo klinkt de slogan van de antiracismecampagne die de Europese Unie en de UEFA nu al tien jaar voeren (www.farenet.org). Een goede aanleiding voor een wandeling langs tien gekleurde topspelers die de voorbije eeuw het aanzien van het wereldvoetbal ingrijpend veranderden door middel van een nieuwe beweging, een originele gedachte, hun opvallende verschijning of een combinatie van de drie samen. Tussen haakjes staan het jaar en het evenement van hun hoogtepunt vermeld.

THE UNITED COLOURS OF FOOTBALL

José Leandro Andrade, tokkel (WK 1930)
Hij was een van de arme voetballers die rond 1920 in Montevideo de dribbel op de kleine ruimte uitvond. ‘De getokkelde bal, alsof die een gitaar, een bron van muziek was’, schreef de Uruguayaanse schrijver Eduardo Galeano.
José Leandro Andrade, de grote man met het elastieken lichaam, was de eerste zwarte voetbalprins. De beste speler ter wereld van zijn tijd. Leidde zijn Celestes of hemelsblauwen, naar goud op de Olympische Spelen van 1924 en 1928 en op het eerste WK van 1930.
Dansen deed hij op het veld. Hij bedacht een voetbalstijl van korte, flitsende ritmewisselingen en zigzaggende passeerbewegingen. Hij was de koning van de tokkel.

Leonidas da Silva, bicecleta (WK 1938)
Hij was de eerste zwarte Braziliaanse voetbalvedette, en ster van het WK van 1938, wiens populariteit de grenzen van voetbal ver oversteeg.
Hij was onderwerp van films, liedjes, gedichten en reclameboodschappen. De zwarte diamant bedacht dé beweging uit de Braziliaanse voetbalschool: de bicecleta of sierlijke omhaal, hangend in de lucht.

Didi, bananenbal, (WK 1958)
De eerste zwarte voetbaldenker. De ontwerper van het ‘didiïsme’: de donkere dans der Seleçao. Hij beschouwde het voetbal als een filosofie van ratio en fantasie.
Didi was de constructeur van het fijnzinnige Braziliaanse multiculturele wereldelftal in 1958 en 1962. Hij doorbrak, op basis van zijn trots, de witte selectiepolitiek van de Braziliaanse voetbalbonzen. Didi liet de bal spreken en werd vergeleken met het herfstblad: het mooiste kleurenpalet dat melancholie en wijsheid uitstraalt.
De eerste zwarte voetballer die het strategiedebat beheerste, herdacht en nieuwe impulsen gaf. Hij etaleerde voetbaleruditie, meesterlijk en majestueus. Hij was de ontwerper van de bananenbal: een afstandsschot dat op het ultieme moment de doelman verrast door een onverwachte kromme curve.

Garrincha, dribbel uit stand (WK 1962)
De ultieme Braziliaan. De goddelijke gek.
Garrincha was het demonische dribbeldier op rechts, met x- en o-been. De bal voor de voet, dribbel en schijnbeweging uit stand. Hij deed alsof hij buitenom ging, ging niet. Deed weer alsof, ging niet, ging wél buitenom. Soms zonder de bal. Ongeletterd, ongekunsteld, authentiek. Onbegrepen door zijn medespelers, dodelijk voor de vijand, begeerd door de vrouwen. Hij bleef kind onder de kinderen, met wie hij uren op straat kon voetballen. A alegria do povo, de vreugde van het volk, omdat hij de simpele mensen liet lachen met zijn onnavolgbare fratsen
en altijd een van hen bleef.
Zijn dood in 1983 bracht 200.000 huilende fans op de been. De wereld weent om jou, Garrincha, stond op een Maracanamuur gekalkt.

Eusebio, sensuele snelheid (WK 1966)
Met ontbloot bovenlijf liep hij na een doelpunt in rituele trance rond het veld. Een vroegrijpe zwarte jongen knalde in de Europese finale van 1962 de witte machtsfalanx van Real Madrid aan flarden.
Eusebio bracht met Benflca sensualiteit én snelheid in het trage voetbalspel. In zijn tijd kreunde Lissabon – door de dichter Pernando Pessoa omschreven als stad der verborgen verlangens – onder de beklemmende gedachten van de oerkatholieke dictator Salazar. Die sloeg elke vorm van seksualiteit in de ban en noemde zwarten dom en minderwaardig.
De rusteloze Eusebio verzoende met zijn Mozambikaanse ambiance, ritmiek en spiritualiteit Lissabon opnieuw met de lust. Hij doorbrak de koloniale clichés, presenteerde zich als eerste zwarte Afrikaan aan de Europese voetbaltop – in de periode van de moord op Lumumba en de verbanning van Mandela – en hield het onwetende en beschaamde publiek een spiegel voor.

Pelé, O rei du futebol (WK 1970)
Een scène uit de documentaire ‘Gods of Brazil’, over het leven van Pelé en Garrincha ‘Vergeet de arme kinderen niet.’ Het waren de woorden van een geëmotioneerde Pelé bij zijn duizendste doelpunt. Hij voerde in zijn leven een dubbele strijd. Voor sprankelend spel, met altijddurende schoonheidswaarde. Tegen de vernederende leefomstandigheden van het meestal gekleurde Braziliaanse kind van de straat.
Pelé bereikte zijn hoogtepunt op het WK 1970, na enkele visionaire voetbalbewegingen, toen hij als een zonnegod met de Wereldbeker naar het Aztekenstadion zwaaide. Hij openbaarde de twee jaar eerder in droefheid gesmoorde droom van Martin Luther King: I have a dream. Daar stond de koning van het voetbal, O rei du futebol.

Ruud Gullit, Black Power op en naast het veld (EK 1988)
Gullit was de zwarte zoon van een oranje moeder. De eerste gekleurde aanvoerder van een Europees nationaal team, het Nederlandse elftal, dat bovendien de Europese Beker voor Landenteams won. Hij bekeerde zich tot het ritme van de reggae, de muziek uit de buik van de onderdrukte mens, de hartslag van de Afrikaanse slavencultuur.
Gullit bepaalde in de jaren tachtig met zijn uitgesproken maatschappelijke bevlogenheid het aanzien van het wereldvoetbal. Il Tulipo Nero, de zwarte tulp, zocht levenslessen bij Bob Marleys Redemption Song: ‘Verlos jezelf met dit lied van de vrijheid.’ Gullit belaagde het racisme vanuit het voetbal. De zwarte huid tegen het blanke masker. In 1989 droeg hij zijn verkiezing tot Voetballer van het Jaar op aan Nelson Mandela om de vloer aan te vegen met het akelige apartheidsysteem. Hij predikte krachtig leiderschap en black power op en naast het veld.

George Weah, dribbel in versnelling (Wereldvoetballer van het Jaar, 1995)
Hij verbond de loopcultuur van zwart Afrika met de dribbelaard van donker Brazilië. Hij vond bezieling bij Malcolm X, Nelson Mandela en Pelé. Weah was levensgenietende wereldburger, onvermoeibare vredesactivist en een diepgelovige islamiet. Hij was de eerste Afrikaanse wereldvoetballer van het jaar, die zijn titel opdroeg aan de vrede in zijn land. De geweren zwegen enkel als Big George in Monrovia op bezoek kwam.

Kanu, sleep (Olympische Spelen 1996)
Kappen en draaien, kappen en draaien, kappen en draaien, als was het voor hem puur natuur. Kanu domineerde met zijn lange benen de bal. Met links, met rechts, op de grond, in de lucht. Slungelachtig, onvoorspelbaar en tegelijk beheerst én beredeneerd. Slepend vooral, zoals hij op de Olympische Spelen van 1996 met zijn onderste ledematen de Braziliaanse en Argentijnse defensie toch uiteenrafelde en Afrika zijn eerste wereldprijs schonk.
Kanu voetbalt nog steeds zoals in zijn kindertijd, ergens in de stoffige savanne van Nigeria. Hij wil een voorbeeld zijn voor de duizenden straatkinderen: ‘Maak het voetbal niet te belangrijk, want dan ontneem je het zijn schoonheid. Afrikanen spelen het pure straatvoetbal. Football is a game of fun!’

Liliam Thuram, humanistische wereldburger (WK 1998)
Hij ontwikkelde zich tot het intellectuele brein van Les Bleus, de multiculturele wereldkampioen. De Franse flankverdediger combineert technische begaafdheid met tactische flair. Zonder twijfel de intelligentste man van de moderne voetballerij.
Liliam Thuram is een wereldburger en een mens van teksten tegen de oorlog, voor meer kansen voor de gediscrimineerde jeugd uit de banlieues en tegen racisme: een humanist
zonder meer.
Bewonderaar van Nelson Mandela, de Dalai Lama, Miles Davis en Milan Kundera.
Gepassioneerd door de geschiedenis: ‘Het gebrek aan kennis van de historie leidt tot onverdraagzaamheid en dat stemt me zeer triest.’ Het trotse gelaat van de internationale Football Against Racism-actie nadat hij in Italië en Spanje talrijke malen op oerwoudgeluiden en hatelijke spreekkoren was getrakteerd.

Nelson Mandela formuleerde het in de jaren negentig als president van zijn nieuwe Zuid-
Afrikaanse Regenboognatie als volgt: ‘Voetbal heeft de kracht te inspireren en te verenigingen. Het brengt hoop waar wanhoop heerste. Voetbal haalt raciale barrières neer.’ Hij trad daarmee in de voetsporen van mensenrechtendenkers als Mahatma Gandhi op het einde van de negentiende eeuw, de Uruguayaanse president José Batlle in de eerste helft van de twintigste eeuw; de Braziliaanse filosoof Gilberto Freyre in de jaren vijftig, de Ghanese leider Kwame Nkrumah. Zij lanceerden the united colours of football als bevrijdende filosofie. De gedachte is dus al meer dan een eeuw oud.

Op 22 oktober speelt SC Heerenveen in het kader van de Euroleague in Berlijn tegen Hertha BSC. Tegen de achtergrond van de twintigste verjaardag van de Val van de Berlijnse Muur.

Wir sind ein Berliner! De tekst van het vaandel springt meteen in het oog als ik onder de triomfbogen van het Olympia Stadion loop. Het is een verwijzing naar de beroemde toespraak Ich bin ein Berliner van de Amerikaanse president John Kennedy in 1963 aan de Berlijnse Muur Honderdduizenden mensen drumden zich juichend rond het spreekgestoelte van JFK. De speech had een helende betekenis en trof de vrijheidslievende harten van de West-Berlijners, welhaast vanzelfsprekend supporters van Hertha.

Het is 8 augustus 2009, eerste speeldag van de Bundesliga. Wir sind ein Berliner is de slogan van de ‘Berliner Freunde’, een gemeenschappelijke onderneming van Hertha BSC, de Berlijnse overheid en enkele financiële partners: ‘Aus Verantwortung für unsere Stadt’. De ‘vrienden’ steunen 12 sociale, sportieve en vormingsgroepen die zich buigen over de levenskwaliteit van kinderen, jongeren en buurten van de metropool op de grens tussen West en Oost. Hertha drijft een verhaal aan: ‘Mehr Chancen durch Fussball’. Aan de hoofdtribune wappert de slogan ‘Für Toleranz und gegen Rassismus.’
Ik zit boven de blauw en wit geverderde Ostkurve. Hertha wint krap met 1-0, tegenstander is Hannover. De ereronde van de spelers duurt net zo lang als het clublied ‘Nur nach Hause gehen wir nicht’. Het refrein van de Hertha Hymne is gebaseerd op dat van Rod Stewarts I’m Sailing: ‘Nur nach Hause, nur nach Hause, nur nach Hause, gehen wir nicht.’ Inwisselbaar met: I’m Sailing, I’m Sailing, I’m Sailing, home again. Ter hoogte van de Ostkurve ontspint zich een apart ritueel. De hele blauwe selectie stelt zich naast elkaar op tegenover de wiebelende massa. Op de tonen van ‘Ich bin das Anton aus Tirol’ brullen duizenden: ‘Wir sind das Hertha BSC’. In elkaar hakend en op en neer jumpend.

Ik wip enkele uren voor de match de Herthapub binnen, op de hoek van de Jesse Owens Allee, aan de overkant van het Olympisch Stadion. Met nog steeds een grotesk uitzicht, men herinnert zich de Nazi-Olympiade van 1936, waarbij de zwarte lachende Amerikaan Jesse Owens alle records uit de tabellen liep en de verzuurde Hitler een denkbeeldige trap in de ballen gaf. In de kroeg hangen sjaals met de tekst ‘Unser Religion ist Hertha BSC’. Oude fans luisteren naar de schuine moppen van de pafferige, getatoeëerde cafébaas. Aan de muur, een poster met een scanderende blondine: ‘Rettet Arbeitzplätze. Trinkt mehr Bier!’ Ik voeg de daad bij het woord, bestel een ‘Berliner Weisser’ (0,33cl) en blader door het boek van historicus Michael Jahn: Hertha BSC. Eine Liebe in Berlin. Ik pluk er her en der elementen uit: Hertha werd opgericht in 1892 en vestigde zich in de wijk Wedding, das Rote Wedding, het grootste industriegebied van Midden-Europa met 170.000 mensen met sociaaldemocratisch stemgedrag. Daaronder meer dan dertigduizend immigranten: fabrieksarbeiders, dagloners, dienstmeiden en werklozen. Deze culturele smeltkroes smeedde innige banden van solidariteit. De schrale tuintjes en zijsteegjes vormden het eerste voetbaldecor voor de jeugd. Eén van hen, Ernst Wisch, nam in 1892 het initiatief: hij koos voor blauw en wit en voor de naam Hertha. Naar een toevallig passerende Zweedse rivierboot in dezelfde kleuren.
De onverwachte bouw van de Berlijnse Muur, een Nacht-und-Nebel-initiatief van de communistische DDR-dictatuur, trok in 1961 een letterlijke scheur door de oude arbeidersbuurt van Wedding. Duizenden Herthafans bevonden zich ineens in Oost-Berlijn.

Archivaris Andy Rygielski bevestigt me de band die Hertha steeds behield met de andere kant: ‘Na de bouw van de Muur zaten veel leden van onze club met de handen in het haar. Hun hart bleef voor Hertha slaan maar ze konden hun gevoelens niet meer kwijt. De clubleiding beschikte over een adressenbestand van de mensen die achter de Muur leefden. Ze probeerden contact te houden met briefwisseling en het…verzenden van lekkernijen en snoepgoed.’

In de eerste thuiswedstrijd van Hertha na de heropening van de grenzen snakten duizenden Oost-Berlijners naar de oude liefde. Bijna 60.000 fans bestormden op 9 november 1989 de poorten naar aanleiding van Hertha BSC – Wattenscheid 09, voetbal in de tweede Bundesliga! Ik koop het clubblad Wir Herthaner en lees over de reeks Jubiläum 20 Jahre Mauerfall. Sven Kretschmer tekende voor de bevrijdende gelijkmaker. Hij vertelt in het tijdschrift hoe hij zich herinnert dat burgers uit de DDR gratis toegang kregen. In de film ‘Ein Volk sprengt seine Mauer’ verscheen de scène van zijn doelpunt: ‘Ein besonderes Gefühl.’ Dat bijzondere gevoel beklijft me ook na een bezoek aan de tentoonstelling 1989-2009 Berliner Mauer van de Artistes pour la Liberté. Ik zie veertig beelden over dood, zelfdestructie, mensenrechten, vrede en vrijheid. De Russische kunstenaar Boris Zabarov weet het thema het meest treffend te pakken met zijn ‘Von Angesicht zu Angesicht.’ Oftewel: ‘Gezicht tegen gezicht. Twee karakters, gescheiden door een ijzeren lijn.’

Met ‘Wir Sind ein Berliner’ probeert Hertha het bindmiddel te zijn van de vernieuwde stad.
Na de afloop van de wedstrijd tegen Hannover tart een dronken blauwwitte aanhanger het gezag. Hij wandelt lachend en lallend tussen de gevechtseenheid: ‘Auf wiedersehen Cops’. Berlijnse humor. Het politiekordon verdwijnt in gestrekte draf. ‘Nur nach Hause gehen wir nicht!’