DE AFRIKAANSE VRIJHEIDSDROOM VAN DE GHANESE BLACK STARS

De Africa Cup 2010 begon onder een slecht gesternte, na de aanslag van een Angolese afscheidingsbeweging op de spelersbus van Togo.

De boeiendste episode uit het feuilleton van 27 edities (1957-2010) werd geschreven door de Black Stars van Ghana.
Het is een zwierige pas-de-deux met de geschiedenis tussen Kwame Nkrumah en Martin Luther King. De ene schreeuwde I have a dream en de andere sprak I speak of freedom. Het voetbalevangelie volgens Puskas en Pelé bracht die vrijheidsdroom even dichterbij.
Kwame Nkrumah (1909-1972) is een vergeten profeet van de emanciperende staatsmanskunst. Hij werd in 1957 de eerste onafhankelijke president van Afrika. De leider van Ghana, het vroegere Goudkust, filosofeerde openlijk over de verheffing van zijn land. Hij creëerde daarvoor The Black Stars, het nationale elftal dat het onafhankelijke Afrika een sportieve illusie in de schoot wierp.
Goudkust was letterlijk en figuurlijk de poort van de internationale slavenhandel tussen de zestiende en negentiende eeuw geweest. Rond 1500 vonden de Europeanen er goud. Ze bouwden langs de kustlijn forten waar ze tienduizenden Afrikanen het brandmerk ‘slaaf’ letterlijk op het lichaam tatoeëerden en vervolgens zonder mededogen verscheepten naar de Nieuwe Wereld.
Binnen het Britse Commonwealth trok Goudkust de welvaart naar zich toe, dankzij de exploitatie van goud en cacao. Het besteedde veel geld aan onderwijs, een overheidsapparaat en een vrije pers zodat zich ook een intellectuele elite kon ontpoppen. De opkomst van de jonge Kwame Nkrumah liep parallel met die van de Burgerrechtenbeweging van Martin Luther King in de Verenigde Staten. Nkrumahs succes ging crescendo. In 1950 zette hij de tanden in een ‘Positive Action’-campagne. De Britten draaiden hem de nor in maar hij won vanuit de cel de verkiezingen van 1951 en leidde zijn land naar Ghana’s Independence Day op 6 maart 1957. Martin Luther King woonde de ceremonie bij en herinnert zich in zijn memoires: ‘Op een donkere nacht kwam daar nieuwe natie tot leven. Dat was een emotioneel moment voor de 500.000 aanwezige Ghanezen. Ik weende van vreugde en dacht aan de pijn en de ontbering van dit volk. Na de laatste speech van Nkrumah hoorden we overal die oude negrospiritual, uit het diepste van ieders hart: Free at last, free at last, God Almighty, I’m free at last!’

Kwame Nkrumah belijdde vurig de geboorte van een ontwakend Afrika, dat zou breken met zijn vernederend verleden van uitbuiting, onderontwikkeling en armoede. Hij ijverde voor de Verenigde Staten van Afrika, de opkomst van een rechtvaardige grootmacht op het geopolitieke schaakbord en droomde van een ‘blotevoetensocialisme’ dat er mede zou komen door de bal. Voetbal gold in Nkrumahs visioen als entertainend moment in de eindeloze weg naar ontvoogding. Hij vertolkte het gevoel van duizenden Afrikanen met zijn eerste toespraak: ‘ Van nu af aan staat er een nieuwe Afrikaan in de wereld.’ Nkrumah zette de ‘Afrikaanse onafhankelijkheid’ op de internationale agenda.
In zijn pleidooi voor democratische verlossing van het zwarte continent bestempelde hij de blotevoetenvoetballers als ambassadeurs van de nieuwe Afrikaanse mens. In zijn overheidsproject voor kinderen van de straat liet hij sport, onderwijs en cultuur elkaar bestuiven. Nkrumah wakkerde de gedachte aan dat het voetbal de jeugd kon kneden en tevens de bevolking waardigheid en troost bezorgde.
In de geschiedschrijving over het Afrikaanse verzet tegen het kolonialisme werd de rol van het voetbal steeds genegeerd. Nochtans werd dat onder Nkrumah hét expressiemiddel bij uitstek voor solidariteit en politiek protest tegen de Europese overheersing. Onder meer omdat het ontsnapte aan de koloniale controle. Voetbalwedstrijden versterkten het symbool van de lokale identiteit en boden de vaak in de clandestiniteit opererende opposanten de mogelijkheid tot politieke speeches voor een groot publiek. Als een gevolg van zijn overtuiging gebruikte hij het nationale Ghanese voetbalelftal voor de promotie van zijn pan-Afrikaanse model.
In 1959 smeedde hij ‘The Black Stars’, als symbool van de rijzende spirit van ‘het zwarte continent’. Eén van de eerste coaches was de Slowaak Joseph Ember, die de selectie de geheimen van de ‘Magische Magyaren’ van Puskas en co aanprees: individuele techniek, collectieve automatismen, tactisch inzicht, zuivere balbeheersing, doeltreffend spel. De Hongaarse voetbaldans tussen 1950 en 1955 was beminnelijk én revolutionair.
Nkrumah haalde dan de enige Ghanese profspeler, de immens populaire C.K. Gyamfi, terug uit Düsseldorf en benoemde hem, in het kader van zijn politiek van Afrikanisering, tot bondscoach. Ghana toonde zich daarmee een voorloper want alle Afrikaanse landen deden beroep op buitenlandse trainers. Twee jaar later programmeerde Nkrumah een uitgebreide tournee door Europa met als belangrijkste bedoeling de ziekelijke vooroordelen die over Afrika heersten uit te vlakken. Er stond geen maat op de Black Stars. Het team won acht van de twaalf demonstratiewedstrijden, verloor er slechts één en speelde gelijk tegen het machtige Real Madrid (3-3) van Puskas en Di Stefano.
Nkrumah stuurde Gyamfi op stage naar het Braziliaanse WK-elftal van 1962 met Didi, Vava en Garrincha. De bondscoach knoopte contacten aan met Pelé en prefectioneerde zijn kennis van het Braziliaanse systeem. Gyamfi polijstte vervolgens de Ghanese voetbalstijl naar het model van de Braziliaanse én Hongaarse school. Gekruid met de natuurlijke dribbelkunst van de ‘king of football’ Stanley Matthews, die als topattractie van de onafhankelijkheidsfeesten van 1957 de affiche sierde.
In 1963 stond de ster van zowel Martin Luther King als Kwame Nkrumah in het zenith. King zaaide in augustus tijdens zijn beroemdste protestmars I have a dream uit over de hoofden van tienduizenden demonstranten. Drie maanden later vervolmaakten The Black Stars de eerste etappe van deze droom. Ze wonnen de Africa Cup in de eigen hoofdstad Accra met ongekunsteld en briljant dribbelvoetbal. Black Football as a Game of Fun! Dit scenario herhaalde zich twee jaar later, in 1965. Een militaire staatsgreep, met hulp van de CIA, maakte in 1966 een einde aan het bewind van de sociale president. Nkrumah werd brutaal afgezet en de sportbeleving verdween, louter als reactie tegen zijn beleid, van het voorplan. Er volgde nog een laatste opflakkering in januari 1968. Ghana bereikte opnieuw de finale, maar verloor zijn eerste wedstrijd in vijf jaar tijd. Met het afzetten van Nkrumah dwarrelde ook de mystiek rond The Black Stars langzaam weg. Drie maand later, op 3 april 1968, stierf Martin Luther King de dood met de kogel. De vrijheidsdroom raakte in bloed gesmoord.

Advertenties

In No Man’s Land is niemand meer. Toch stond ik daar op 19 december 2009, in het weidse winterlandschap van de Westhoek. Het niemandsland van The Flanders Fields, de Vlaamse Velden, is omzoomd met beelden uit de Eerste Wereldoorlog: monumenten en war graves. Ik arriveerde er in het gezelschap van de Kraks van Club Brugge: kinderen met een autismespectrumstoornis, in de blauw en zwarte shirts. Het decor: de koeienstal-vol-vlaaien van de stokoude boerin Thérèse uit Ploegsteert, op de grens met Frankrijk. Philippe Servais is hun bezielende onderwijzer. Minnaar van Club Brugge en gepassioneerd door de vredesgedachte. Met veel respect voor het menselijk lijden tijdens de waanzinnige permanente moordpartij tussen 1914 en 1918. Hij vertelde zijn leerlingen over de kleine vrede in de Grooten Oorlog: ‘Op kerstdag 1914 werd in deze weide gevoetbald. In plaats van kogels naar elkaar te schieten, trapten ze tegen een bal. De Duitsers staken vanuit hun loopgraven de kerstboom in de lucht. De Britten deden vervolgens hetzelfde.’ Naast een kruisbeeld lezen we op een bord over de wapenstilstand, the Christmas Truce, la Trêve de Noël. Voor het kruis: twee versleten voetballen.
De kinderen leggen er hun vredeswerkjes, dragen de ‘Peace’-vlag en zingen een variant op het oude Schotse afscheidslied Auld Lang Syne. En ze spelen de wedstrijd van kerstdag 1914 na. In zijn boek ‘Voetballen of vechten?’ beschrijft de Vlaamse jeugdauteur Herman Van Campenhout dit merkwaardige moment: ‘Een voetbal! Gevonden. Iemand heeft hem achtergelaten. Ze komen uit de loopgraven en maken twee doelen op het Niemandsland: links één met Duitse punthelmen, rechts één met Britse helmen. De Britten tegen de Duitsers, met een Duitse scheidsrechter, die ook nog een fluitje op zak had. Ze konden zo beginnen met hun soldatenlaarzen en hun vuile uniformen aan. Het was niet ongewoon dat een speler het veld verliet om aan de zijlijn een slok schnaps, rum of whisky naar binnen te gieten. De scheidsrechter floot af op 3-2 voor Duitsland.’
De spontane wapenstilstand duurde bijna twee weken maar was niet helemaal naar de zin van de bevelhebbers. Ze bevalen tot de terugkeer naar de barbarij.

Philippe Servais vertelt over zijn werk met de Kraks van Club Brugge:
‘De Kraks zijn kinderen die heel graag bijleren en voetballen, maar die in onze steeds sneller draaiende maatschappij jammer genoeg in de kou blijven staan. Je zou echter versteld staan van wat ze allemaal kunnen. Ze moeten er enkel een kans toe krijgen. Elke zaterdagochtend trainen we op de oefenvelden van Club Brugge, in de schaduw van het stadion. Het anders zijn van deze kinderen uit zich in het moeilijk communiceren, niet zelf beslissingen nemen, niet voldoende opkomen voor zichzelf, moeilijk samenspelen en samenwerken. Wij gebruiken sport om de sociale barrières te doorbreken, de vooroordelen weg te werken en proberen dat anders zijn als verrijking te beleven. Onze Kraks krijgen wekelijks een spelprogramma voorgeschoteld. De rode draad wordt het spelen van echt voetbal, maar ook bewegingsopvoeding en coördinatie staan hoog in het vaandel.’

Filip Caemerlyncks is gezinswerker bij het Medisch Pedagogisch Instituut Het Anker. Hij organiseert met Philippe Servais de zaterdagsessie. Volgens hem zijn dit zeer belangrijke belevenissen voor deze autistische kinderen: ‘Het is voor hen een bijzondere ervaring. Ze worden eindelijk op een positieve wijze benaderd. Hun zelfbeeld verandert. Tegelijk is dit ook goed voor de gemoedstoestand van het gezin. Het wekelijkse voetbalpartijtje zorgt voor een rustpunt in hun leven. De kinderen kijken uit naar deze activiteit en keren ook vol enthousiasme terug naar huis. Dat maken de ouders zelden mee. Ze worden opgenomen in de grote familie van Club Brugge en dat geeft hen een uitstekend gevoel.’
En op 19 december 2009 speelden de Kraks dus ‘de kleine vrede van de Groten Oorlog’ na, daar in die winterse Westhoek van The Flanders Fields. Het Niemandsland stroomde eventjes vol.

Voetbalbrief aan Herman van Rompuy.

Onlangs zat ik mij te vervelen in mijn favoriete Irish Pub. Omdat die mieterse kroegbaas een scheut Bailey’s in mijn koffie had gesmokkeld, schoot een lichtend idee door mijn verdwaasde hoofd: even de President van Europa bellen! Bij wijze van stunt, om hem een stukje voor te lezen uit mijn nieuwe boek ‘Europese Topclubs. Meer dan een Spel’. In ruil voor een haiku van mijn hand! In het jaaroverzicht ‘internationale politiek’ had ik op VARA-radio gehoord hoe een geleerde commentator verwees naar de beroemde zin van Henry Kissinger, de voormalige Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken: ‘Met wie moet ik telefoneren als ik de mening van Europa wil kennen?’ De spottende Kissinger stelde hiermee het eeuwige onderlinge Europese gekissebis in staatszaken aan de kaak. Ik dacht: laten we meteen even natrekken of die Kissinger nog steeds de waarheid spreekt. Ik draaide het nummer van Herman Van Rompuy en hij nam zowaar zomaar de telefoon op. ‘Hallo Herman’, vroeg ik plechtig: ‘Ik heb gereisd door de werkelijke Europese ruimte op zoek naar de identiteit van voetbalclubs, althans dat schrijft mijn uitgever op de flaptekst. Mag ik u het eerste exemplaar van mijn boek overhandigen? Ik zal dan voor uedele een voetbalhaiku plegen.’ Het lukte zowaar zomaar, hij nodigde me uit op zijn bureau en sprak: ‘Ik ben een echte liefhebber, want supporter al mijn hele leven voor Rik Van Looy.’ Dat was de Vlaamse keizer van de wielersport tussen 1955 en 1965. Hij aanhoorde geduldig mijn haiku: ‘Voetbal is Europa’s state of mind, zelfs voor een minister-president.’ Hij maakte er mij minzaam op attent dat mijn alleraardigste poging niet volledig volgens de regels van de kunst was geschreven maar ik mocht toch blijven om een verhaaltje te vertellen over mijn geweldige avonturen.

Zo zat ik in Lissabon op de vlooienmarkt tijdens die mooie novembernazomer van 2009. Vanuit het stokoude fadorestaurant Os Unidos – slechts te bereiken via de ontelbare trappen van de middeleeuwse steegjes der Bairro Alto – keek ik uit over de glinsterende rivier Taag. In het gezelschap van een fles rode wijn, mijmerend over vijftien jaar voetbalreizen door Europa.

Daar haalde ik mijn eerste uitstap voor de geest: in 1994 vertrok ik voor een reportage naar Londen, halve finales FA Cup tussen Chelsea en Luton Town. Wembley zien en sterven? De illusie verdween als sneeuw voor de zon. In de Underground verzamelden enkele jeugdige Chelseahooligans zich rond een eenzame, met strohoed getooide Lutonsupporter. De cheerleader woog meer dan 100 kg. en er kleefde een dubbele ring aan de oren. Hij brulde tegen de arme man: I’m gonna fuck you tonight! Een halte verder dwarrelde de oranjeblauwe strohoed, het symbool van The Hatters, over het station. Ik besloot lafhartig maar veiligheidshalve de andere kant uit te kijken, net als de andere passagiers in de overvolle metrowagon. De skinheads van Chelsea tooiden zich met White Powersymboliek en waren gewelddadig en racistisch.

Precies vijftien jaar later, in de lente van 2009, bezocht ik in Turijn een bejaarde vrouw in haar historisch herenhuis. De 82-jarige Susanna Egri geniet mondiale vermaardheid als danseres en choreografe. Ik voerde met haar mijn meest fascinerende tweespraak over het spel om de bal. Ze maakte me tot mijn verbazing duidelijk: ‘Ik veranderde de dans met mijn I balletti di Susanna Egri, op basis van mijn vaders ideeën over…voetbal! De spelende mens: homo ludens.’ Haar vader, Ernest Egri Erbstein, was een joodse wereldburger. Hij schreef tussen 1945 en 1949 geschiedenis met Il Grande Torino. Hij coachte de club naar een aanvallende en vrije stijl, vanuit de filosofie van het humanisme. In antwoord op de fascistische voetbalopvattingen uit het tijdperk van Mussolini. De familie Egri sloeg op de vlucht voor de Italiaanse antisemitische wetten en ontsnapte in Boedapest miraculeus aan de Holocaust. In 1949 crashte het vliegtuig van Torino. Niemand overleefde het drama, vader Egri evenmin. ‘My father is my force’, zegt Susanna Egri nog steeds: ‘Teach them to be free!’
De cirkel was toen voor mij rond. Tussen deze twee uitersten – hardleers racistisch hooliganisme en fijnzinnig artistiek spel – staat de spanningsboog van het voetbal, als ware het een absurd theater.

Daaraan dacht ik toen ik in dat stokoude fadorestaurant Os Unidos vond wat ik zocht: Eusebio en Amalia Rodrigues! De vreugde van het voetbal en het muzikale verdriet om het leven verenigd in één portretfoto van vergeelde glans.

Ik kuchte en liet een stilte vallen. Herman Van Rompuy kon zijn ontroering amper de baas. Ik misbruikte de gelegenheid om hem mijn favoriete statement op te dringen: een sociaal departement voor elke Europese topclub! Het idee ‘voetbal, solidariteit & ambiance’ als bindmiddel voor het oude continent! Een Europese Stichting Meer dan Voetbal, als ware het een centrum voor Europese voetbalcultuur! Ik vroeg hem naar zijn mening. Hij antwoordde zonder dralen maar toch plechtstatig: ‘Dat past perfect in mijn missie, met name de verdediging van het sociale model van Europa!’

‘Dank u beleefd, mijnheer Herman’, stamelde ik. ‘Dat we dit nog mogen beleven!’
Zal de President van Europa het plan uitvoeren? Om het spannend te houden, verklapten de oude Vlaamse jeugdfeuilletons-op-televisie al het antwoord van de volgende aflevering in de aankondiging: ‘Hij zal!’