Net voor het WK 2010 schreef Willi Lemke een boek: ‘Ein Bolzplatz fur Bouaké. Wie der Sport die Welt verandert und warum ich mich stark mache fur die Schwachen (Deutsche Verlags-Anstalt). Hij presenteerde het ook in Zuid-Afrika.

De beroemde Duitse schrijver Günter Grass – Nobelprijswinnaar Literatuur in 1999 – prees het aan in een persoonlijke brief. Met de mededeling dat de auteur het mensbeeld van de lezer heeft verrijkt: ‘From early on bound to sports, Willi Lemke makes it a duty for himself to create possibilities for children and youths – especially in Africa – to try out challenges, while keeping fairness and tolerance.’

Desondansk is het boek niet alleen belangrijk omdat Günter Grass het zegt. Het heeft precies betekenis gekregen door twee elkaar versterkende feiten: Willi Lemke is de auteur – hier telt zijn verleden als manager van topclub Werder Bremen – én hij heeft het geschreven vanuit een bepaalde functie. Met name die van UNO-ambassadeur. Om die reden is het één van de meest ernstig te nemen én belangrijkste recente publicaties over het thema. Het biedt inzicht aan een breed publiek in een nieuw fenomeen: dat van de positieve kracht van de sport, meer bepaald het voetbal. Willi Lemke’s werk rondt in feite een periode af: een klein decennium geleden werd ronduit de spot gedreven met de gedachte dat sport een gunstige maatschappelijke betekenis kon hebben. In het beste geval beschouwde men het sociale aspect van de sport als iets voor ‘wereldvreemden’. Vandaag groeide dit uit tot een stilaan algemeen aanvaard verschijnsel, zelfs tot in de voetbaljournalistiek toe. Al mogen we nog niet veralgemenen, sommigen blijven volharden in de boosheid en wentelen zich gulzig in de eigen domheid. In het volgende decennium wordt het een kwestie van ‘to be or not to be’. Zal deze filosofie zich verankeren in de geesten en gebruiken? Ein Bolzplatz für Bouaké slaat hoe dan ook spijkers met koppen. Lemke toont met relatief simpele voorbeelden uit de praktijk aan hoe sport een ‘universele taal’ is: ‘Denn er ist wie eine universelle Sprache, die Brücken bauen und Herzen öffnen kann.’

Willi Lemke (1946) werkte van 1974 tot 1981 voor de sociaaldemocratische SPD. Hij was partijsecretaris van de regio Bremen. Dan volgde de vraag om manager te worden van Werder. Lemke lanceerde het idee om er ‘een attractieve sportvereniging van te maken, met Europese ambitie.’ Dat lukte aardig, tussen 1981 en 1999 won Werder twee kampioenschappen, drie bekers en een Europacup. Lemke haalde vrouwen naar het stadion, bracht comfort via de loges, introduceerde het idee om, naar Braziliaans voorbeeld, met kinderen in de hand het veld op te lopen en bouwde het eerste fancoachproject van het land uit.
In de zomer van 1999 werd hij in het deelstaatparlement van Bremen verkozen tot senator voor ‘vorming & wetenschapsbeleid’. In 2007 kwam een ‘voorstel dat hij niet kon weigeren’. UNO-secretaris-generaal Ban Ki-Moon bood hem aan om rondreizende UNO-vertegenwoordiger in het veld van ‘sport, ontwikkelingssamenwerking & vrede’ te worden. Afrika zou het zwaartepunt van zijn arbeid worden. In het kader van de Millinium-doelstellingen van de Verenigde Naties. Even op een rijtje: bestrijding van extreme armoede; versterking van de rol van de vrouw; bekampen van AIDS, malaria en andere ziektebeelden.

Beginpunt van de reis: Khayelitsa, een township in Zuid-Afrika.
Hier tracht men via sport de aidsproblematiek bespreekbaar te maken. In Zuid-Afrika, het land waar meer dan 20% van de bevolking tussen de 15 en 49 jaar geïnfecteerd is met HIV, zijn nieuwe manieren nodig om mensen te benaderen. Voetbalwedstrijden dienen als middel. Jongens en meisjes spelen er samen, dat is geen zeldzaamheid in Afrika. Na de match geeft men dertig minuten onderricht over seksualiteit en over aids en hoe dat te vermijden. Alle spelers zaten te luisteren op het veld. Dat had ook een ‘sportieve’ verklaring. Bij het volgende toernooi telden niet enkel de doelpunten. Tijdens de pauze en na de match werd er een ‘wedstrijdje vragen over AIDS beantwoorden’ georganiseerd. Men kon dus met 3-0 de rust ingaan en er met 3-3 terug uitkomen. Met behulp van het voetbalt verspreidt men inzichten over seksualiteit. Aan meisjesteams wordt uitdrukkelijk verteld dat ze condooms moeten meenemen voor hun vrienden. Lemke: ‘Ik zag in sportcentra jongens en meisjes leren hoe ze een condoom moesten aantrekken over nagemaakte penismodellen. De jongeren spraken zeer open over seksualiteit.’ Meisjes nemen zonder problemen deel en getuigen: ‘In de meeste voetbalprogramma’s worden meisjes over het hoofd gezien. Hier mogen we meedoen. Ik kan mezelf coachen en wanneer ik op het veld kom, ben ik vrij. Ik voel dat ik hier persoonlijke groei kan beleven.’
Willi Lemke kwam op het einde van zijn reis tot enkele globale conclusies over zijn thema ‘Sport, Ontwikkelingssamenwerking & Vrede’:
‘Het is belangrijk dat sport en sociaal engagement zich met elkaar verbinden. Sport biedt de kans kleine stappen te nemen, dingen op gang te trekken op het gebied van het menselijke samenleven.’

Wie wil de typisch Duitse ondertitel van dit boek ernstig nemen: ‘Wie der Sport die Welt verändert und warum ich mich stark mache für die Schwachen’. Welke voetbalmanager treedt bij ons in het voetspoor van Willi Lemke? Ter voltooiing van de missie van het WK 2010 en om de brug te slaan naar dat van 2018, wat mij betreft in de Lage Landen.

Advertenties

‘Elke keer als Uruguay een interland speelde, hield het land de adem in. De politici, zangers en marktkramers zwegen. De geliefden stopten met het bedrijven van de liefde.’ (Eduardo Galeano, schrijver-mensenrechtenactivist-voetbalfan)

José Leandro Andrade (1901-1958) jongleert met de wereldbeker. De beste speler van het ogenblik haalt lachend de gekste kunsten uit. De cup is in veilige handen bij hem. Hij is de dansende artiest van het voetbal. 30 juli 1930, Montevideo: Uruguay- Argentinië 4-2, 100.000 mensen in het Estadio Centenario, een verwijzing naar een eeuw onafhankelijkheid.
Zouden Andrades altijd ondeugdende bedenksels ook José Batlle y Ordonez bevatten? Gunde hij de voormalige president van Uruguay een gedachte? Zijn vrijdenkende ‘vriend’ overleed in 1929. Hij mocht de grootste triomf van zijn politieke erfgoed – een sociale welvaartstaat; sport als opvoedkundig instrument; een kleurrijk nationaal voetbalteam als identiteitsdrager voor zijn land – niet meer beleven. Batlle regeerde volgens de principes der Verlichting – liberaal én sociaaldemocratisch – en is de enige geweest waarvan hij, de anarchistische Andrade, een controlerende hand accepteerde. Samen maakten ze tussen 1915 en 1930 van Uruguay het voetbalepicentrum van de wereld.
The Purple Land, zo getypeerd door de Engelse schrijver William Henry Hudson, wees als eerste natie de slavernij naar de verdoemenis.

‘Andere landen hebben hun geschiedenis, Uruguay heeft zijn voetbal’. Dit gezegde heeft hij – José Leandro, zoon van een Argentijnse dienstmeid en een onbekende Afrikaanse vader – een gezicht gegeven. De regering Batlle promootte het voetbal als middel voor sociale cohesie, integratie en democratisering via sportstimuleringsprogramma’s – ley para al desarrollo de los deportes atlético nacionales – en het aanleggen van speelpleintjes in kansarme wijken – plazas de deporte – voor de gekleurde creeolse straatjeugd. Het legde de basis voor het succes van het hemelblauwe nationale elftal: celestes. Met openheid in de selectiepolitiek: ook zwarte afstammelingen van slaven kregen hun plaats, tot woede van de andere Zuidamerikaanse landen. Met de dynamiek van het onverwachte, de briljante improvisatie, het zigzaggende en met schijnbewegingen doorspekte optreden. Als gevolg van urenlange oefening in beperkte ruimte op straten en stranden. Uruguay zal Brazilië de weg wijzen dankzij het creatieve pase corto der Celestes. In zijn gezelschap, hij, de dansende grootmeester Andrade, zo goed als onklopbaar: Copa America in 1923, 1924 en 1926; Olympische Spelen in 1924 en 1928 en Wereldbeker in 1930.

Dacht José Leandro Andrade op dat moment terug aan zijn kindertijd in de barrio Palermo waar zwarten en Italiaanse immigranten door elkaar leefden? Het huisje was zo benepen dat moeder met haar twee dochters in hetzelfde bed sliep en hij met zijn broer op de grond. Hij liep elke dag vier kilometer naar school, met de lappenbal aan de voet. Hij lachte vertederd als hij weer zijn moeder met hem de tango zag dansen. Naast drums bespeelde hij ook piano en snaarinstrumenten. Voetbal was voor hem pure ontspanning, dan liever de ambiancewereld! Het leukste vond hij toch, in 1921, de verkiezing tot voorzitter van de Libertadores de Africa, een carnavalsclub met een hoog black powergehalte. Brachten zij niet de beste attractie in de stoet van 1922 en scoorden zij niet de carnavalshit van 1923? Hij verzuimde de trainingen van de Celestes, ze lachten wat af bij de repetities van de Libertadores. Toch werd hij hét fenomeen van de Spelen van 1924. Hij grijnsde bij de herinnering aan Parijs. Als enige ‘zwarte’ voetballer van het toernooi floreerde hij met zijn technisch vernuft en atletische elegantie. Ze riepen hem uit tot beste van de Olympiade, dat betekende dus van de hele wereld. Het Franse publiek liet zich impalmen door zijn danskunst. Hij, José Leandro Andrade – le merveille noire – werd het mannelijk antwoord op Josephine Baker. Tangodanser, muzikale duizendpoot en sekssymbool. Daar was de geur der geparfumeerde liefdesbrieven! En hoe prikkelde zijn romance met Lily Reverdy, de vedette van de Moulin Rouge, de sensatiepers! Maar toen, toen doken er symptomen op van de gevreesde ziekte: koortsaanvallen, vermageringsverschijnselen en gezichtsverlies. De diagnose in dat Brussels ziekenhuis, na een demonstratiematch, klonk verontrustend: syfilis! Toch nog even snel de hoofdverpleegster ‘beïnvloed’. Ze heette Elizabeth, wat liet ze zich gemakkelijk verleiden. Ze begonnen het beu te worden in Montevideo. Die vervelende voetbalbond sommeerde hem om terug te keren tegen de Copa America van 1926. Het zou hun keer niet wezen. Hij stapte van de boot in een groen kostuum, met zijden sjaaltje, modieuze hoed, handschoenen en wandelstok. President Batlle overtuigde hem de schoenen aan te trekken, zonder hem wonnen de Celestes amper een match, hij maakte lekker misbruik van dit gegeven. In de de strijd om America schitterde hij als vanouds: de Copa blonk terug in Montevideo. Hij bleef opzettelijk botsen met clubleiders en trainers. De nachttenten waren hem liever dan het voetbalveld. In de sjieke Royal Dancing Club trad hij elke vrijdagavond op als ‘senor presidente’ van de tango.

In 1928 schreef hij een apart scenario. De boot met de Celestes was reeds vertrokken, als hij zich uiteindelijk toch liet overhalen om deel te nemen aan de Olympische Spelen van Amsterdam. Even een relletje schoppen ter plaatse: op avonden voor wedstrijden op de foto. Breedlachend, mét flessen Bols onder en blonde meisjes in de arm. In de dubbele finale (1-1, 2-1) tegen het favoriete Argentinië blufte hij, met inzicht en kunde, de aartsrivaal af. De officiële ontvangst op de ambassade kon hem gestolen worden. Hij spoorde meteen door naar Parijs, op zoek naar de vriendinnen van weleer. Terug in Montevideo bracht hij eindelijk zijn droom in vervulling: een eigen café, Dancing Scala, een biercabaret dat niet meteen op een goede naam teerde. Hij verzaakte aan de oefenstonden richting wereldkampioenschap, maar uitblinken zou hij. In de beslissende fase: tijdens de halve finale en in de eindstrijd tegen Argentinië. Op 30 juli 1930 torende hij, José Leandro Andrade, hoog boven iedere andere voetballer uit. Jonglerend met de beker. Montevideo is definitief de hemelsblauwe hoofdstad van het wereldvoetbal. Met een zwarte carnavalsprins als heerser.

‘Aan de voeten van de eerste Uruguayaanse balvirtuozen ontstond de tokkel: de getokkelde bal, alsof die een gitaar, een bron van muziek was.’
(Eduardo Galeano)