Aaah het WK 2018! Ik vrees: het zal aan onze neus voorbij gaan en dan hebben we een historische kans gemist.

In een mistroostige bui besloot ik in de winter van 2007 om mij aan stichtende lectuur te zetten: Fussball Weltmeisterschaft 2006. Abschlussbericht der Bundesregierung. Ik weet: dit vraagt een stevige klap van de molen. De gemiddelde Nederlander imiteerde op dat ogenblik de grollen van Youp van’t Hek en de dito Vlaming probeerde de recepten uit van de populaire televisiekok SOS Piet. Bestsellersboekjes maar ikzelven las dus iets enigszins anders. Tot wat is een mens allemaal in staat als hij zich verveelt? Downloaden dus, dat eindrapport van de Duitse regering van 210 bladzijden – goedgekeurd door parlement en vanzelfsprekend officiële en rechtstatelijke cijfers – over het WK 2006.
Wat vonden we in die razend spannende turf? Even ons Duits reanimeren. In koor, de ezelsbruggetjes vanuit onze schooltijd ‘Ausbeimitnachzeitvonzu’ (X3, we brulden het door de klas).

Bij het volgende denkt u vermoedelijk dat ik probeer om u iets op de mouw te spelden. Nochtans beweren we dit niet zelf, integendeel, het spruit voort uit ambtelijke achtergronden: het WK 2006 is een zuivere trendbreuk geweest met de vorige. Op het spirituele terrein! Het verbond voetbal met de filosofie van ‘people, planet, profit’: Die Welt zu Gast bei Freunden! Het hele land, met alle terreinen van het maatschappelijk leven, achter de slogan. En met volgende vijf bouwstenen:

• economisch zelfbewustzijn via zuurstof voor toerisme en bedrijfsleven met ‘Deutschland, 365 Orte im Land der Ideen’
• een kunst- en cultuurprogramma over drie jaar gespreid met 50 projecten uit de sfeer van dans, muziek, theater, film, literatuur, tentoonstelling: 3,5 miljoen bezoekers
• duurzaamheid in de nieuwe stadions via ‘Green Goal’: versterking openbaar vervoer (75% van de verplaatsingen tijdens het WK); aanleren ecologisch verantwoord consumentengedrag tijdens matchen; zonne-energie en waterbeheersing
• welzijn en onderwijs met campagnes rond buurtwerk, integratie en ontwikkelingssamenwerking
• verbroedering en ambiance via fanfeesten, een nieuwe supporterscultuur met meer dan 40% vrouwelijke bezoekers

Alles kan beter, maar dit was zeker niet slecht. Bovendien, het hield niet op: de geboekte winsten van de voetbalbond (DFB) en de profliga (DFL), zijnde elk 28,25 miljoen euro voor beide structuren, kregen gedeeltelijk een aangename bestemming: schooltoernooien; jeugdopleiding; stimulering van vrouwen- en meisjesvoetbal met 1 miljoen leden; ‘soziales Engagement’ via de Bundesliga Stiftung én steun aan Olympische sporten dankzij een solidariteitsfonds. Jawel!


Waar zijn de mensen nog niet van op de hoogte? Kassa! Kassa! Clubs die hun stadion dankzij het WK konden renoveren en uitbreiden boekten 5000 tot 15000 nieuwe toeschouwers. Niet per seizoen, wel per thuiswedstrijd! Sinds 2006! Bundesliga’ booming. Wie vat dit eens in een cijfer, vijf jaar na het WK? Welk economisch effect heeft zoiets: merchandising; gebruik van metro, trein en bus; benutting van drank en voeding; verkoop van tickets?

Ik voer vervolgens bij deze graag voor u op: Holger Preuss, sportwetenschapper aan de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz. Hij bestudeerde de economische impact van het WK met zijn ‘Eine Empirische Analyse zur Fussball-Weltmeisterschaft 2006’. (Gabler Verlag, 2009) en besloot: ‘De Fanfeesten zorgden niet enkel voor een partystemming maar waren ook een economische succesfactor: 900.000 buitenlandse bezoekers!’ En weer even uw Duits testen. Gooi jezelf in de groep met Dativ en Akkusativ: ‘Ingesamt trügen die ökonomisch relevanten Fan-Fest Besucher knapp 1 Miljard Euro zu Primärimpuls bei.’ Preuss berekende het totale plaatje voor de Duitse schatkist: ‘1,265 miljard opbrengsten.’ Met wie hebben we hier de eer? Inderdaad, met Holger Preuss, een economische sportspecialist van hoog niveau. Die een nieuwe methode ontwierp – ook wel op de korrel genomen, daar is het nu net wetenschap voor – en die wijst op de globale en langdurige effecten van een WK op welvaart (infrastructuur, openbaar vervoer; toerisme, dienstverlening), internationaal imago (meer economisch zelfbewustzijn) en het sociaal-culturele (vrije tijdsbedrijvigheid, sociale interactiviteit en ecologische omkadering). Zware woorden, maar vederlicht dicht bij het dagelijks leven.

Genoeg over geld, ga naar het geluk. Want welke aparte voorlichting schenkt ons de observatie van die sympathieke Stefan Szymanski, een Engelse sporteconoom van naam en faam? Dé factor feelgood! De invloed op het bruto nationaal geluk! ‘De mensen voelen zich gelukkig bij het schrijven van een gemeenschappelijk verhaal als het Wereldkampioenschap Voetbal. Dat verhoogt de sociale cohesie en het zelfrespect van de natie.’

Szymanski berekende dat het organiseren van de Olympische Spelen eenzelfde effect heeft als een WK. Volgens zijn cijferwerk zou Londen 2012 voor de hele Britse bevolking 31 miljard pond ‘geluk’ opleveren. Omgerekend naar het WK in de Lage Landen zal dat richting ’20 miljard euro geluk’ evolueren. Waar is dat feestje? Hier is dat feestje!

Wat nog? Even denken, vast staat: dit! Bij 2018 wordt het menens. Van dan af zal de ‘legacy’ – sociale, culturele, ecologische en economische component – uitgroeien tot het belangrijkste onderdeel van een wereldbeker voetbal, vanzelfsprekend na het sportieve. Interesseert ons dit niet? Inderdaad, het interesseerde ons niet.

Aah, het WK 2018. Ik vrees dat het niet voor de Lage Landen zal zijn – die Russen kunnen ze kussen – maar wat hebben we dan een historische kans gemist!

Wou Roberto Baggio graag dansen met de vrije vrouw Aung San Suu Kyi? De mensenrechtenactiviste – Nobelprijs voor de Vrede in 1991 – zuchtte sinds 1989, na de zege van haar partij in de verkiezingen – onder huisarrest en andere idiote dwangmaatregelen van de militaire zeloten die haar land om zeep hielpen. Sinds 13 november 2010 is ze een vrije vrouw, mogen we dat vermoeden? Dan weze haar een dans gegund met Roberto Baggio. Hij ontving op 12 november 2010 in Japan de zogenaamde Peace Summit Award uit handen van de conferentie van Vredesnobelprijswinnaars.

Il Divin Codino wordt geëerd voor zijn vrije geest. De ‘goddelijke paardenstaart’ wendde zich tot de kale dalai lama. Met meditatie, met mildheid bij het menselijk falen, de kern van het door hem omarmde boeddhisme. Niet om de eigen dwalingen goed te praten, maar om ze een plaats te geven in het panorama van een levensloop. Roberto Baggio smaakte het applaus van de tegenstander en de publieke opinie bij zijn gedurfde, aparte en tegendraadse keuzes op het veld. In 1987 besloot hij, pas hersteld van twee jaar blessureleed, tot een inspirerende wandeling over het veld van San Siro. Hij scoorde namens i viola – Fiorentina – tegen de rossoneri van Gullit en Baresi. Na een seconde van verstomming, uitte het publiek van… AC Milan zijn dankbaarheid voor zoveel schoonheid. Met zijn superbe slaloms voelde hij zich thuis tussen de renaissancekunst van Florence. Toen het bestuur van Fiorentina hem in 1990 voor onaanvaardbaar veel geld veilde aan Juventus stond de stad in rep en roer. Er barstte een volksopstand los, met gewonden en arrestanten. Een jaar later weigerde hij de penalty te trappen tegen zijn paarsen. De vervanger miste, de Fiorentinafans zongen hem de hele wedstrijd toe tot zijn coach hem uit doffe ellende verving. Tegen alle conventies in verliet hij het veld met een purperen sjaal om de hals. De tifosi van La Vecchia Signora kropten hun wrok op tot 17 april 1993. Roby lichtte het onklopbaar gewaande AC Milan een voetje. Met sprankelende deviaties gaf hij de roodzwarten een les in nederigheid: 3-1. Men trakteerde Baggio op een staande ovatie. Hij speelde zich echt in de harten van de bianconeri met zijn intelligente goals in de gewonnen Uefacupfinale tegen Borrusia Dortmund. De bekroning en ontlading volgde met de uitverkiezing tot Europese Gouden Schoen van 1993. Michel Platini beschreef zijn opvolger bij de zwartwitte Oude Dame als un joueur très complet. Het beste moest nog komen. Zijn intellectuele toets vermengde zich met de wetenschappelijke systematiek van de vernieuwende bondscoach Arrigo Sacchi. Die bedacht voor hem de vrije, zwervende rol. De broeierige Amerikaanse WK-zomer van 1994 werd die van Roberto Baggio. Aanvankelijk nog controlerend en calculerend, vervolgens dominerend: vijf beslissende doelpunten in de wereldbeker. In de finale legde hij het Braziliaanse spel aan banden. Zoals in de oude tijden bij Fiorentina, toen hij betere tegenstanders de benen én de adem afsneed door subtiele variaties in positiespel en balcirculatie. Dat hield hij 120 minuten vol, in de verzengende hitte van de Rose Bowl in Los Angeles. Bij de laatste trap liet zijn mentale meesterschap over de bal hem in de steek. Hij schoot de strafschop hoog over en zocht nadien de eenzaamheid op. De passage paste in het scenario van zijn leven. Hij nam het risico van de mislukking op zich.

De in 1967 geboren Baggio voelde zich een vreemd wezen in het calcio. Hij kwam in het reine met zichzelf nadat hij zich bekeerde tot de spirituele stroming van het Soka Gakkai Buddhism: op zoek naar de staat van geluk via ‘vrede, vrijheid en mededogen’ voor vrienden, familie en gemeenschap. Zo counterde hij de prestatiestress uit het hoofd en de bevelen van dwangmatige coaches uit het lichaam. Zijn bewegingen stroomden over van energieke harmonie. Wat een contrast met de gecorrumpeerde, negatieve en altijd onrustige schijnwereld der Italiaanse voetballerij.

Hij pleitte jaren voor de vrijlating van Aung San Suu Kyi en voerde via onder meer zijn persoonlijke website campagne voor haar. Met zijn internetblogs zette de door ‘mensenrechten’ en ‘wereldvrede’ gepassioneerde spelmaker-spits – tevens ambassadeur van de Wereldvoedseldag United Against Hunger en ontwerper van een stichting voor slachtoffers van landmijnen – ook persoonlijke gesprekken met zijn fans op. Voetbal was zelden het hoofdthema, hij peilde naar persoonlijke gevoeligheden. Vanuit meditatie en mildheid voor het menselijk falen. In gedachten vraagt Il Divin Codino de vrije vrouw Aung San Suu Kyi ten dans.

Café Scheltema, 1 november 2010. Een typische bruine kroeg in Amsterdam. Aanwezig: enkele helden uit mijn jeugd. Piet Keizer, Rob Rensenbrink, Wim Suurbier, Johnny Rep. Johnny Rep! Oranje 1974. Verder: televisiepresentatoren, schrijvers, cabaretiers, dichters. Het ademt de Amsterdamse sfeer van de jaren zeventig. De reden: Jan Mulder came to town. De 65-jarige schrijver, columnist, tv-persoonlijkheid presenteerde zijn biografie. Een monumentaal werk van 526 pagina’s, met prachtige fotografie en geschreven door zes auteurs, gepubliceerd door ‘De Buitenspelers’, een uitgevershuis van internationale kwaliteit. Ik mag Mulder. Hij uit zich graag met wilde theorieën genre ‘laten we voetballen zonder tackle; alle trainers buiten’. Op televisie demonstreert hij zich bij voorkeur in de overtreffende trap. Lachend en schreeuwend, meent-ie-het-nou-of-niet? Tegen de algemene opinie inroeien. Bombardementen afkeuren, vegetariërs verdedigen, bepleiten van vrouwenrechten in de islamitische wereld, met humor opkomen voor homo’s. Brede gebaren, uitdagende smoel. De kunst van de overdrijving, de overdrijving als kunst. Zoals bij de beschrijving van zijn liefde voor Anderlecht, het eerste en beroemdste handelsmerk van de voetballer Jan Mulder. Wie herinnert zich dat nog? Ik dook, als mede-auteur van het boek, in zijn Brusselse jaren 1965-1972. Samen met François Colin, de Vlaamse senior soccer writer. We ontdekten dat Jan Mulder vandaag nog steeds leeft in een ‘Anderlecht state of mind.’ Het is een ‘mood’, een geestesgesteldheid, een levenshouding.

Jan Mulder en Anderlecht. Het is een verhaal van verlangen en beproeving. Een hunkering naar de herinnering aan het succes van het gouden purperen team in de jaren zestig, vijf keer op rij kampioen. Een melancholische kwelling als gevolg van de mijmering aan de mooie episode van weleer, die nooit meer terugkeert.
A la recherche du temps perdu, de onuitputtelijke en beroemde romancyclus van de negentiende eeuwse Franse auteur Marcel Proust wordt door sommigen geïnterpreteerd als ‘het zoeken naar het verleden dat verloren is gegaan en hersteld zou moeten worden’. Het lijkt alsof de oudere Jan Mulder voortdurend ‘op zoek gaat naar die verloren tijd’. En heimelijk hoopt dat die ooit en definitief in ere zal worden hersteld.


Was de periode die Mulder in Anderlecht verbleef, van 1965 tot 1972, de spannendste, prikkelendste en meest intense uit zijn leven? Van de provincie naar de grootstad. Van puberteit tot volwassenheid. Huwen met de liefde van zijn leven. De geboorte van zijn kinderen. De dood van zijn vader, slechts beleefd op afstand. De sportieve triomftocht. De adoratie door de massa. Het onaangekondigde en plotse – en daardoor onverwerkte? – afscheid in 1972. Bij een verwarrende en emotionele toestand: tussen euforie (winst van het landskampioenschap op de laatste speeldag; de overstap naar het Ajax van Johan Cruijff), conflict (met de trainer, in mindere mate met de voorzitter) en onzekerheid (de al knagende blessure aan de knie, het verlaten van de vertrouwde omgeving).

Wat is de diepere betekenis van dat gevoel voor Anderlecht? Vanwaar die fascinatie? Zijn het de namen van de straten in de buurt van het stadion Astridpark? Zeker, er is de niet bij Mulder passende ‘Koning-Soldaatlaan’, maar de meeste andere werden genoemd naar componisten: Chopin, Van Beethoven, Debussy, Tinel, Lekeu, Vieuxtemps. Men roemt zowel de Australische operazangeres Nellie Melba als de Franse toondichter Charles Gounod. De laan die het beste beeld geeft op het aparte landschap – met name stadion in park – droeg men op aan Eugène Ysaye, een Belgische vioolvirtuoos uit de negentiende eeuw. Ysaye baande zich een pad naar de buitenissigheid, stond soms onder invloed van drank op het podium en twistte voortdurend met zichzelf om een evenwicht te vinden tussen de geniale gekte en de door de muziek opgelegde patronen. Kent Jan Mulder Ysaye? Deze man moet hem toch bekoren?

Wat weet Jan Mulder van La Maison des Artistes? Dat Huis der Kunstenaars situeerde zich van net na de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig in het park als silhouet van het stadion van Anderlecht. Het was een centrum voor concert, theater en feest. Waar verhalen verteld werden van leute en plezier, van hartzeer en smart. Men filosofeerde er over vrijheid en fantasie. Kan de kunstenaar zonder de fantasie? Waar ligt de dunne lijn tussen discipline en vernuft? Tussen grillige individuele hoogbegaafdheid en collectiviteit? Wie ze gevonden heeft, bezit de sleutel tot de kunst van het voetballen. Dé kunst van het voetballen van het Anderlecht van de jaren zestig, le football champagne. Met de jonge Jan Mulder als exponent én criticus van het systeem. Het Astridpark is dus omgeven met een air van een centre de l’art.

Vond Jan Mulder zijn spirituele thuis in de historische Meirwijk? De triomf van de l’Art Deco schenkt de bezoeker en bewoner rust en inspiratie. De huizen rond het park ademen de tijd van het Interbellum: esthetische gevels met Engelse balkons, Franse façades, Japanse glasramen en Italiaanse renaissancetorens. Kunstkenners beschrijven het Quartier du Meir als een ‘complexe stilistische beweging’, die stijlen verlegt en vermengt: art deco, modernisme, beaux arts.
Bestaat er een betere bedding dan deze beaux arts voor een huis der voetbalkunstenaars?
Aan de achterzijde van het park loopt de Avenue Théo Verbeeck. De laan die verwijst naar de beroemde voorzitter telt van oudsher een hele rij supportersetablissementen. Ze mondt uit op de Place de Linde, met die ene oude heilige lindeboom voor de karakteristieke herberg ‘Le Chateau d’Or’ – het ‘Gouden Kasteel’ – waar de zoete, rode kriekenlambiek gul uit het vat stroomde.
De bal en de boom, de poëzie van het park, de kunst, de kroeg en de kriek. Heeft het Jan Mulder – in zijn onderbewustzijn – gemaakt tot de mens die hij is geworden?
‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen, en niet slapend denk ik aan de dood.’ Het is de vertrouwde versregel van de Hollandse dichter J.C. Bloem. Mogen we met enige zin voor overdrijving – of toch weer nét niet – deze ook toepassen op ons thema: ‘Denkend aan Anderlecht kan ik niet slapen, en niet slapend denk ik aan Anderlecht.’? Ziedaar zijn Anderlecht State of Mind.
De echte roots van de complete, complexe mens Jan Mulder liggen in Brussel. Daaraan dacht ik in die bruine literaire voetbalkroeg van Amsterdam, waar het goed vertoeven is. Café Scheltema, 1 november 2010.