Deze week riep FIFA voor de vijfde opeenvolgende keer de Braziliaanse Marta uit tot beste voetbalster van de wereld. Haar opvolgster is bekend: Lira Bajramaj (1988). Het is een kwestie van tijd vooraleer de derde genomineerde van het gala de scepter van Marta overneemt.

De toekomst van het voetbal is vrouwelijk! Zo klinkt haar favoriete uitspraak.
Op het veld straalt de voetballende moslima het charisma uit van…zichzelf: modieuze haartooi, opvallende make-up, rode schoenen. In het boek ‘Mein Tor ins Leben’ (Südwest Verlag) beschrijft ze haar verhaal: Vom Flüchtling zur Weltmeisterin. Van Kosovaarse vluchteling tot wereldkampioen met Duitsland in 2007.

Ze woonde in 1993 met haar familie in een asielcentrum.
Elke dag na schooltijd trok ze naar het pleintje, in de zomer voetbalde ze zonder schoenen om alle trucs te leren. Ze imiteerde Ronaldo en Zidane. Ze was een straatschoffie. Ze begon op haar zesde te voetballen in het park. Ze vreesde dat haar vader – ‘jongens waren in Kosovo altijd wat meer waard en een moslima voetbalt niet’ – het haar zou verbieden, dus droeg ze een t-shirt van haar broer, om te verbergen dat ze een meisje was.
Enkele neonazi’s, met kaalkop en bomberjack, passeerden en schreeuwden haar en haar broer toe: ‘Scheissausländer, durft hier nicht spielen!’ Later kreeg ze ook wat racistische sneren toegesnauwd tijdens jeugdwedstrijden.
In haar boek vertelt ze: ‘Toen ik bekendheid genoot en de Bomberjacken uit mijn buurt opnieuw tegenkwam, liepen ze mij met gebogen hoofd voorbij. Misschien hebben ze mettertijd van hun domheid geleerd.’

Als kind van vier vluchtte ze met haar ouders uit Kosovo. Ze behoorden tot de Albanese minderheid en ze werden bedreigd door de Servische politie.
In 1992 steeg de spanning ten top. Haar familie koos ervoor om onverhoeds het land te verlaten – ‘zonder eten, zonder visum, zonder iets’ – en een barre trip door half Europa – ‘na een gevaarlijke, nachtelijke boottocht over de Donau’ – bracht hen van geboortestad Gjurakovc naar het onbekende dorpje Giesenkirchen. Ze vond voor zichzelf een weg: voetbal! Haar talent bracht haar tot wereldbekerwinnaar maar haar lot vergat ze niet: ‘vluchteling’. Zo stond het op haar eerste paspoort. Want: ‘Dat is niet meteen het begrip waarmee men door het leven wil.’
Ze kent de vertwijfeling van de Afrikaanse vluchteling die de dood trotseert. Ze hoopt dat haar verhaal moed geeft aan mensen die zware risico’s nemen om aan de ellende te ontsnappen. En voortdurend in angst leven. Angst. Diep in haar binnenste blijft de herinnering aan die beklemdheid. Vrouwen van Albanese afkomst, zoals haar moeder, werden begin jaren negentig in Kosovo beschimpt als ‘hoeren’. Ze konden niet meer de straat op, uit vrees voor gewelddaden. De Servische geheime diensten mishandelden, isoleerden en moordden. Men verbood onderwijs in de Albanese taal. De enige optie bleek: het hazenpad kiezen.

Ondanks haar Duitse nationaliteit blijft haar heimat in hoofd en hart. Na de winst met haar club FCR Duisburg in de Uefacupfinale van 2009, zwaaide ze met de beker naar het 28.000 koppen tellende publiek en wees naar de letters op haar speciale shirt: ‘Kosova’.

Met Mein Tor ins Leben roept ze op tot een betere verstandhouding, meer bereidheid tot integratie maar vooral om als vrouw steeds in jezelf te geloven.
Haar persoonlijke droom: zelfstandigheid en emancipatie. Overwin je weerstanden, kies je eigen kleding en schmink en…speel voetbal!
Ze verspreidt deze verheven gedachte via een integratieproject én als Europees Ambassadeur tegen Armoede en Sociale Uitsluiting. Ze vertelt het in scholen aan meisjes met een migranten- en/of islamitische achtergrond. Over haar schrijven de kranten: Sie macht muslimischen Mädchen Mut! Ze roept op: ‘Heb moed, discussieer met je ouders. Voetbal helpt, verschaft zelfbewustzijn, opent vriendschappen en breekt barrières’. Ze wil het grote publiek vertellen hoe hard een ‘vluchtelingenkind’ moet vechten om te overleven in Duitsland. ‘Voetbal heeft me geholpen. Ik hoop dat mijn boek andere jonge vrouwen aanspoort om mijn pad te volgen.’

Ze troeft tijdens het populaire spelletje ‘ballen-door-een-gat-schieten’ van het televisieprogramma Sportschau de mannelijke collega’s af: in maatpak en op hoge hakjes.
Desondanks profileert ze zich ook als een gelovige moslima, zij het zonder hoofddoek. Ze beweert: ‘men moet geen hoofddoek dragen om een moslima te zijn.’ Ook haar moeder droeg die nooit, voor haar was dat geen thema. Ze interpreteert haar geloof op een moderne wijze. Met een gebed, een feestje en een drankje. Ze kant zich tegen het beeld dat fundamentalisten van de islam hebben geschetst maar evengoed tegen de klassieke vooroordelen die alle moslims over dezelfde kam scheren. Ze roept moslima’s op om te sporten, in korte broek en t-shirt. Ze wil meisjes stimuleren om te voetballen, mét maquillage!

Op vraag van het humanitaire World Vision zet ze zich in voor de achtjarige Amina in Tanzania. Ze steunt het verhaal van ‘Entwickelungshilfe statt Erholung’, lees: ontwikkelingshulp door ontspanning. Naast het boren van waterbronnen en het renoveren van dorpsscholen trachten World Vision en Lira Bajramaj de interesse van meisjes aan te wakkeren om … te voetballen.
Het zou haar verheugen mocht haar boek haar godsdienst in een ander daglicht stellen. ‘Dehn ich bin nicht anders. Ich bin Muslima.’ Van vluchteling tot wereldkampioen, het scenario van een film. Met Lira Bajramaj is de toekomst van het voetbal vrouwelijk.

In het dagelijks leven ben ik doorgaans een vriendelijke gozer, van het type dat graag een schouderklopje uitdeelt maar anderzijds toch liever geen geouwehoer om het hoofd heeft. Ik trek me graag terug in een bruine kroeg – met een rood kriekbier – om er als een soort kamergeleerde te snuffelen in pakken documentatie, afkomstig uit alle hoeken van de globe over de impact van voetbal op leven en welzijn. Ik overpeins er mijn straatschuimersachtige samenkomsten met vogels van het meest vreemde pluimage, getekend door één gemeenschappelijke drift: de passie voor het spel om de bal én voor de, vaak ontsporende, medemens. En hoe beide dingen elkaar kunnen bestuiven. Ik blader er door rapporten, publicaties, correspondentie en boeken ter zake. Viel ik even achterover toen ik in het jubileumnummer van Supporter, kwartaalblad over sport & ontwikkelingssamenwerking – tiende verjaardag, waarvoor welgemeende felicitaties voor het waarlijk baanbrekende werk – Simon Kuper in een gastcolumn rake klappen zag uitdelen. Hij stak de draak met humanitaire helpers die het voetbal benutten om Afrikaanse jongeren op de gevaren van AIDS te wijzen. Hij sneerde: ‘de sport-voor-ontwikkelingsindustrie-wordt door gelovigen bevolkt’. Ik pufte, want dan volgde: ‘Er zijn goede redenen te twijfelen aan het grote idee dat sport vrede kan stichten.’ Toen pas draaide hij het mes echt in de wonde: ‘We weten simpelweg niet of sport ontwikkelt. Helaas ontbreekt het bewijs.’ Daar wankelde mijn wereldbeeld!

Tsjonge, tsjonge was dat even schrikken! ‘Helaas ontbreekt het bewijs’. Die Simon Kuper is natuurlijk niet de eerste de beste. Hij verwierf naam en faam met het boek ‘Football against the Enemy’, in het Nederlands gepresenteerd onder de titel ‘Voetbal als oorlog.’ Ziedaar het voornaamste statement van deze auteur, zo’n vijftien jaar geleden. Sindsdien heeft hij de status van een heilige bij zijn volgelingen in de media: Saint Simon. Is er iemand die hem durft tegen te spreken? Ik alvast niet, mompelde ik bij mezelf. Ik ben toch geen held? ‘Het bewijs ontbreekt!’ Wie wil er leven met wetenschappelijke bewijslast op de rug? Zichzelf in academische argumentatie gieten? Weten we wél of sport ontwikkelt? Weten we dan wel dat het niet ontwikkelt? Is de stelling ‘voetbal als oorlog’ gebrevetteerd? Wie toont onomstotelijk deze waarheid aan? Is dit wetenschap, of is het schetenwap? Dat placht de favoriete, lichtjes knotsgekke, professor van mijn studententijd uit te roepen. Gelijk had ie! Hij lepelde ons een gezonde dosis scepsis in tegenover rigoureuze wetenschappelijke bewijsvoering. Is de psyche van de mens in een dossier te vangen? Is gedrag ten allen tijde meetbaar? Zal de zich misdragende minderheid/enkeling er niet worden uitgevist om het resultaat pootje te lichten?
Misschien moest iemand Simon Kuper voorzichtig in het oor fluisteren dat hij toch is blijven steken in de eigen clichés en een evolutie of drie gemist heeft.

Spookte spontaan door mijn hoofd: de ontmoeting met de Deen Anders Levinsen, het brein achter de Cross Cultures Open Fun Football Schools. Winter 2008, hartje Brussel. Hij overhandigde mij, in een tweederangspizzarestaurant, een document waarvan ik dacht dat het spijkers met koppen sloeg: ‘Tussen 1998 en 2007 werden over de hele Balkan 563 voetbalscholen opgezet met 115.884 deelnemende kinderen. Meisjes en jongens speelden met de bal, onder leiding van een slordige 900 coaches en vrijwilligers.’ Een professor geschiedenis uit Bosnië-Herzegovina onderzocht volgens Levinsen het concept van ‘openheid, educatie, voetbal & ambiance’ en concludeerde: ‘Vandaag is de Open Fun Football School de enige plaats in dit door de oorlog geteisterde land waar kinderen van om het even welke achtergrond elkaar zonder problemen ontmoeten.’ Zou Simon Kuper hiervan op de hoogte zijn? Welk verdict zou hij vellen? Het angstzweet brak me uit. Ik zag hem in mijn verbeelding vanachter het gordijn opduiken, het vingertje bezwerend in de lucht: ‘Het is niet waar, u zijt gelovigen!’

Spookte opnieuw spontaan door mijn hoofd: een gesprek met Willi Lemke, in het historische Park Hotel van Bremen, herfst 2010. De voormalige manager van Werder reist sinds 2008 de wereld rond als ‘eerste verantwoordelijke voor de Verenigde Naties op het terrein van sport, vrede en ontwikkelingssamenwerking’. Ik interview hem over zijn boek ‘Ein Bolzplatz für Bouaké. Wie der Sport die Welt verändert und warum ich mich stark mache für die Schwachen.’ Lemke vertelde twintig hartverwarmende verhalen, van Zuid-Afrika tot China : ‘Sport im Dienst von Frienden und Entwicklung’! De beklemming sloeg toe. Ik vreesde elk moment een uit de kast springende Simon Kuper, sardonisch schreeuwend: ‘Het bewijs ontbreekt dat Willi Lemke écht bestaat!’

Ik pieker mij kapot. Nog een derde keer proberen, spookte nogmaals spontaan door mijn hoofd: bezoek aan Notts County, zomer 2008. Gesprek met Graham Moran, de praatgrage communitymanager van de oudste nog bestaande club van Engeland, een vierdeklasser uit Nottingham, de stad van Robin Hood. De hartelijk op mijn rug koekende voormalige profvoetballer strooide luidruchtig met zekerheden: ‘Onze sociale werking behoort tot de beste van het land. We bezoeken negen zogenaamde deprivated neighbourhouds in de stad: antisociaal gedrag, criminaliteit, werkloosheid. We houden kinderen van de straat met sportieve en opvoedkundige activiteiten. Vier avonden per week leren we hen alternatieve opties en zelfvertrouwen opbouwen en in het stadion volgen ze lessen in het Study Support Centre. Ik weet heel zeker dat we via het voetbal het leven van vele jongeren hebben verbeterd.’ Stilte. Ik stamelde in mijn beste steenkolenschots: ‘Can you prove this? Do you have the evidence?’ ‘Evidence? Who the fuck cares?’ bulderde hij en slurpte in één teug zijn Robin Hood Beer leeg. Ik schrok me een hoedje en tierde op mijn beurt: ‘Evidence, who the fuck cares?’ Zo hoorde ik het graag. En ik dronk ook in één keer mijn Robin Hood Beer uit. In het dagelijks leven gedraag ik me immers als een vriendelijke gozer.

Maar ik supporter niet voor Simon Kuper.