Het Nederlands Elftal ontvangt op 29 maart Hongarije. Ooit predikten Hongaren de revolutie: de voetballers in het veld, de burgers op straat, de premier tussen het volk. Van 1950 en 1956 verleidden en verbaasden de Magic Magyars de wereld, met onder meer de gouden medaille op de Olympische Spelen van Helsinki in 1952. In 50 interlands verloren ze slechts één keer. Uitgerekend dan wanneer men niet in het zand wil bijten, met name op 4 juli 1954, in de finale van de wereldbeker in Zwitserland. Tegenstander: West-Duitsland (3-2), Hongarije was vanzelfsprekend de betere ploeg. Klinkt bekend in de oren. De Magische Magyaren zijn de eigenlijke uitvinders van het ‘totaalvoetbal’. Ze leefden in tijden van mislukte maatschappelijke omwentelingen, onder het juk van de stalinistische dictatuur.

Wie herinnert zich niet de Aranycsapat, het Gouden Team, van Puskas, Czibor, Kocsis, Grosics, Boszik en Hidegkuti? Op 4 juli 1953 kwam Imre Nagy – enkele maanden na de dood van Sovjet-dictator Jozef Stalin en als gevolg van een protestbeweging – aan de macht om de Hongaren een goed leven te geven. Hij presenteerde zich als een soort Mikhaïl Gorbatsjov avant-la-lettre: een hervormer met een verleden in de communistische partij.

Nagy liet zich echter niet controleren en ijverde meteen voor de combinatie van sociaaldemocratische overheidspolitiek met liberale mensenrechten. Hij sloot strafkampen, gaf de boeren meer land, hief het verbod op westerse literatuur op en kantte zich niet tegen jazzmuziek in de kroegen van Boedapest. Vooral hield Imre Nagy van voetbal. Op zondag bezocht de gepassioneerde liefhebber wedstrijden van zijn favoriete speler Ferenc Puskas.In bondscoach Gustave Sebes vond Imre Nagy een medestander. Sebes vertoefde graag in zijn voetbalverbeelding. Hij fantaseerde over een utopie, waarin hij individuele schranderheid bundelde aan collectieve klasse. Hij legde nooit de eigenheid van de mens aan banden.

De niet te vatten persoonlijkheidstructuur van zijn toppers Puskas (linkerspits), Czibor (linksbuiten), Grosics (doelman) en Kocsis (midvoor) stond dit hoe dan ook in de weg. De zonder nukken door het leven gaande Boszik (corrigerende middenvelder) en Hidegkuti (spelmaker) keerden op het veld eveneens de rug naar de verstarde denkbeelden. Men nam afstand van het strikte positiespel. Sebes bedacht twee nieuwe dingen, ze vormden de intro tot het totaalvoetbal: de kaatsende spits (Hidegkuti) en de opbouwende keeper (Grosics), de doelman als eerste aanvaller.

De prestaties van het nationale elftal veroorzaakten een golf van enthousiasme in het land en voedden de droom van de bevolking: vrijheid, welvaart en democratie. Is het toeval dat het Gouden Team nooit beter voetbalde dan tussen 4 juli 1953 – het begin van het mandaat van Nagy – en 4 juli 1954 – het begin van het einde van het mandaat van Nagy? Even goochelen met de statistieken: prestigieuze overwinningen in Rome (0-3), Praag (1-5), Wenen (2-3). Met als klapstuk: 3-6 (Hidegkuti 3, Puskas 2, Boszik 1) in Londen, op Wembley, 25 november 1953, the game of the century. De eerste Engelse nederlaag op eigen bodem. Industrie versus kunst, blokletterde de pers. Werd er ooit beter voetbal op de mat gelegd? Vermoedelijk wel, met name op 23 mei 1954, voor 75.000 dansende Hongaren in het immense nieuwe NEP-stadion-van-het-volk van Boedapest: 7-1, de zwaarste voetbalvernedering in de Engelse geschiedenis. Imre Nagy straalde. Had hij reeds de wereldbekerfinale van 4 juli 1954 in gedachten? Het lange wachten, het grote smachten! Poule: 9-0 Zuid-Korea, 8-3 West-Duitsland. Kwartfinale: 4-2 Brazilië, finalist van het WK van 1950. Halve finale: 4-2 Uruguay, winnaar van van het WK van 1950. Finale: 2-0 voorsprong na tien minuten tegen West-Duitsland. Goals van Puskas en Czibor.

De Hongaarse historicus Andrew Handler beschreef in zijn essay From Goals to Guns. The Golden Age of Soccer in Hungary 1950-1956 hoe de hele Hongaarse samenleving – van kunst over literatuur tot muziek – gebukt ging onder het door de dictatuur opgelegde ‘sociale realisme’. Met uitzondering van het ‘ongrijpbare voetbal’! Volgens Handler voerden de spelers een plezierstuk op: ‘Een vrolijk verhaal waarbij de ideologie niet verdedigd werd. Het publiek kon vrij ademen. ‘Vele toeschouwers vonden in het voetbal een toevluchtsoord om aan de dagelijkse politieke dwang te ontsnappen. De fans begrepen de kracht van de oppositie, verschillende spelers van de Aranycsapat (Puskas, Czibor, Kocsis, Grosics, Lorant) toonden openlijk of verdoken hun meningsverschillen met het regime. Er ontstond – via de voetbalverbeelding – een ruimte voor oppositionele meningsuiting: ‘The Aranycsapat felt like a breath of fresh air for a prisoner.’

Premier Imre Nagy luisterde met ingehouden adem naar het spelverloop in de finale van de wereldbeker. De verbijstering groeide met de minuut. Bedenk: Hongarije – West-Duitsland 8-3 in de voorronde en 2-0 binnen een handomdraai. Eindstand: 2-3. Voetbal is een spel en aan het einde winnen de Duitsers. De bevolking verbeet de teleurstelling niet. De plannen van Nagy evolueerden plots te traag. Ze werden ook door de partijtop gesaboteerd. Begin 1955 werd hij door een intrige vanuit Moskou – de Sovjet-Unie trok achter de schermen aan de touwtjes in Boedapest – uit het openbare leven gebannen. De bevolking rebelleerde in oktober 1956 maar de opstand werd in bloed gesmoord. Op 8 november 1956 schoten Sovjettroepen op de Boulevard der Martelaars de Hongaarse hoop aan flarden. In de vroege ochtend van 16 juni 1958 kreeg de geliefde voetbalminnende professor-premier Nagy de dood met de strop. Zijn beulen begroeven zijn ontziende lichaam onder een laag beton. Het liep ook slecht af met de Aranycsapat.

Na de opstand ontstond een ‘elftal in ballingschap’, dat als een voetballend Harlem Globetrottersgezelschap om den brode – en uit bittere noodzaak – exhibitiewedstrijden speelde in West-Europa en Zuid-Amerika . Sommigen maakten – Puskas bij Real Madrid en Czibor en Kocsis bij FC Barcelona – carrière in het buitenland maar zagen hun geboortestreek zelden of nooit terug. Imre Nagy was dood, net als het Gouden Team. De herinnering aan de verloren voetbalrevolutie doofde echter nimmer uit.

Yoga is het geheim van de vrije geest. Het schept innerlijke kracht en verkent onbekende energievelden in het lichaam.

Op 4 maart 1991 debuteerde een iele jongen in het eerste elftal van Manchester United. Twintig jaar, 865 wedstrijden en 158 doelpunten later prijken anno 2011 meer dan 30 prijzen op zijn persoonlijke palmares, waaronder 11 titels in de Premier League, de sterkste competitie ter wereld.
Hij verklaart zijn succesvolle loopbaan met een simpele zin: ‘Yoga tests part of your body that you just don’t use in football.’

Hij werd geëerd met de Freedom of the City of Salford en met een Master of the Arts of Salford Univeristy. De stad Salford koestert een geschiedenis van opstandigheid en geniet faam als meest rebelse deel van the Greater Manchester. Het is de industriële Dirty Old Town, uit de beroemde folksong van Ewan MacColl: ‘I met my love on the gas works wall, dreamed a dream by the old canal, kissed a girl by the factory wall, dirty old, dirty old town.’ Uit Salford stamt de klassieke rode fan van Manchester United, vereeuwigd in schilderijen van de kunstenaar L.S. Lowry. De gemeentelijke grens kruist de achterkant van Old Trafford. Hij woont er sinds zijn zevende. Maar neem de proef op de som en stel voor het standbeeld van Matt Busby de vraag aan willekeurige voorbijgangers: ‘Do you know Ryan Wilson?’ Of trek naar de Trafford Pub: ‘Who’s Ryan Wilson?’ Men blijft het antwoord schuldig. Want, wie is… Ryan Wilson?

‘I adopted her name so that the world would know I was mother’s son.’
Met deze zin verraste Ryan…Giggs in 2005 de publieke opinie in Engeland. De altijd lachende maar toch in zichzelf gekeerde Welsh Wizard weigert gedurende jaren interviews en geeft het mysterie van zijn afkomst slechts met mondjesmaat prijs. In zijn autobiografie Ryan Giggs (2005) legt hij zijn pijnlijke persoonlijke relaas bloot. Hij wordt geboren op 29 november 1973 in Cardiff (Wales), als kind van Danny Wilson (Sierra Leone) en Lynne Giggs. Danny gooit hoge ogen in het Engelse rugby maar schudt de verantwoordelijkheid van het vaderschap van zich af. Hij gedraagt zich grenzeloos agressief tegen Lynne en de vechtpartijen stapelen zich op. Hij wordt gearresteerd en het huis uit gezet. Ryan licht zichzelf graag toe als a mummy’s boy. Het respect voor zijn vader daalt met de dag en nadert het nulpunt: ‘Because I realized the rotten life he gave her.’ In 1987 valt de breuk niet meer te lijmen. De scène bij het afscheid is wrang en merkt de veertienjarige Ryan met een emotioneel litteken voor het leven. Hij zeult met de koffers van zijn vader en wacht met hem aan de bushalte: ‘We wisten dat het over was. Hij verbeurde zijn laatste kans, moeder gooide hem eruit. Ik had mijn twijfels of ik hem nog ooit zou terugzien. Ik zat naast hem. Ik huilde.’ Het contact brokkelt af, de wonden helen niet. Ontmoetingen blijven uit, op een zeldzaam en toevallig gesprek na. Ryan Wilson wordt Ryan Giggs. De zorgende zoon van de moeder: ‘my mum deserves nothing but respect’. De opverende jongen zonder vader: ‘as time goes by, my attitude to my father has hardened’.

Op dat moment heeft Ryan Giggs, duidelijk gezegend met de snelheid en de schijnbewegingen van Danny Wilson, zich in de kijker van Manchester United gevoetbald. Hij wordt getrakteerd op racistische uitlatingen. Zijn blanke huid maakt hem niet immuun voor opmerkingen over zijn donkerkleurige vader. Het is het tweede trauma uit zijn puberteit. Hij put er kracht uit. Hij schuwt, op rijpere leeftijd, de politieke controverse met rechts-radicalen niet. Hij leent zijn naam aan protesten van Kick Racism Out of Football tegen het British National Front. Hij beweert dat hij zijn ‘zwarte oorsprong’ nooit zal verloochenen. Vanuit die optiek is het begrijpelijk dat de ontmoeting met Nelson Mandela in de zomer van 1993 diepe indruk op hem maakt. Na een wedstrijd tegen Kaiser Chiefs in Johannesburg wordt hij, amper twintig, uitgenodigd voor een gesprek. De werkelijkheid in de sloppenwijken van Soweto opent hem de ogen. De spelers van Manchester United trekken tijdens de tournee door de townships en voetballen met de jonge Afrikanen: ‘They were all black lads. I was struck by how the whites play rugby, while football is the black’s game.’ In 2006 schudt hij Nelson Mandela opnieuw de hand. Hij aanvaardt het ambassadeurschap van ‘United for Unicef’ ter ondersteuning van diens Charity 46664 – een verwijzing naar zijn gevangenisnummer op Robbeneiland – in de strijd tegen HIV/Aids.

Giggs is de beste clubspeler van de voorbije twee decennia. Hij bezit de gave van de vervoerende versnelling, de ondoorgrondelijke dribbel en de gemeten voorzet. Ryan Giggs, Ryan Giggs, running down the wing. Intussen blijft hij wie hij is: een vrije geest uit Salford. Met yoga als zijn geheim.

Ryan Giggs verleent zijn medewerking aan de nieuwe DVD van Show Racism the Red Card. Deze wordt gebruikt in Britse scholen: http://www.srtrc.org