Rote Erde, Gelbe Wand, Echte Liebe.

Ik ga op zoek naar Jurgen Klopp. Vergeet Guardiola en Ferguson. No more Mourinho. Jürgen Klopp is dé coach van dit seizoen!
Het is de dag van het Duitse kampioenschap 30 april 2011. Picknikken in het park, de vrouwelijke voetbalfan is een feit. Partysfeer, wir rocken Dortmund. De spelersbus arriveert. Met de letters: BVB 09 ECHTE LIEBE!  De kleuren geel & zwart domineren de skyline, Schwarz wie Kohle, Gelb wie Bier. Dit is Borussia, het kloppend hart van de stad.

Ik zit alleen op een bank van das Rote Erde Stadion, daterend uit de jaren twintig van vorige eeuw. Oude betonnen staanplaatsen, klassieke bogen, ijzeren relingen en een atletiekpiste. De hoofdtribune schurkt aan tegen het Signal Iduna Park: meer dan 80.000 supporters, waaronder 25.000 op de staantribune Gelbe Wand. Futurisme mengt zich met archeologie. Voor mij kijken honderden hossende mensen naar een groot televisiescherm. Eén man beweegt zich voortdurend door het beeld. Hij zuigt de camera’s naar zich toe.

Daar is Jürgen Klopp (1967)!
Ik denk aan zijn afscheid van Mainz 05, zomer 2008. Twintigduizend roodwitten in de regen op het stadhuisplein. Zingend voor een snikkende man met een brilletje. Na 21 jaar – 13 als speler, 8 als trainer – ruilde hij het koldereske carnavalsoord in voor het roerige Ruhrgebied. Negen begrippen verschijnen op een televisiescherm en symboliseren zijn persoonlijkheid: vooruitgang, vriendschap, hart, trouw, menselijkheid, competentie, liefde, optimisme, plezier. Kloppo ten voeten uit, the-hero-next-door, de held van om de hoek. Met een T-shirt, een trainingsjekker en een baseball cap. Stoppelbaard, sigaar in de smoel, bril. Bril? Bril! In 2008 verkozen tot Spectacle Wearer of the Year. Vergeleken met Peter Fonda uit de cinemaklassieker van de sixties: Easy Rider. 

Zelfspot, charisma, grenzeloos optimisme én toch loert het ontploffingsgevaar om de hoek! Kloppo trapt al eens van woede een reclamebord om, struikelt over de netten wanneer hij juichend naar de fans loopt of slaat zijn bril stuk bij een kopstootomhelzing met zijn spelers. Zijn commentaar bij elk doelpunt van zijn team: Wooahaaraaooor! Zijn stijl: jeansbroek, trainingsvest, driftige coaching, emotionele intelligentie, pedagogische begeleiding en rechtlijnige uitspraken.  Hij liefkoost de ‘familiale anarchie’: eerst de familie, dan voetbal, voetbal, voetbal en vervolgens doet men wat men wil. Dat schrikt ‘deftige’ clubs als Bayern München en Hamburger Sport Verein af. Edoch niet de euforische fans van de staantribune Gelbe Wand, met wie hij zich vereenzelvigt: ‘Ohne Trainer gehen wir nicht nach Hause.’ 

Jürgen Klopp is zichzelf en gooit zijn zwakke plekken op straat. Tegelijk is hij bedreven in de sportwetenschap – universiteit Frankfurt – en de voetbalcoaching – universiteit Keulen – en weet hij waarover hij praat, eigenlijk meer: doceert. Zijn filosofie? De bal! De pressing, de jacht. De Sehnsucht boven de tactiek. Pure lust. Kracht verbonden aan cultuur. Aanvallen met passie. Agressief, snel spel, met stof tot nadenken. Tegelijk: de drang tot winnen. Het pyschologische schaakspel met de rivaal: voor de match grijnzend voor Van Gaal gaan staan. Geen team in de Bundesliga dat het spel vrolijker van verdediging naar aanval verlegde dan Borussia Dortmund. Geen elftal dat zich meer bediende van de combinatie techniek-diepgang.

Jürgen Klopp is een kind van de West-Duitse voetballente van 1972, net als geestesgenoot en bondscoach Joachim Löw. Das Kurzpassspiel, van het hoogste niveau, die Kunst des Fussballs. De alternatieve generatie rond Günter Netzer als frivole winnaar van het Europees Kampioenschap. De internationale pers dweepte met de Mannschaft: ‘Het is een plezier om naar de Duitsers te kijken. Ze brengen elegant en creatief voetbal met onbegrensde mogelijkheden.’ Daar haalde hij zijn inspiratie. De krant Frankfurter Allgemeine Zeitung dichtte Klopp de kracht van de eeuwige jeugd toe: ‘Romantiek wint van realisme. Het gevoel verslaat het geld.’

 Als mens straalt hij een principieel optimisme uit. Hij verkeert vrijwel steeds in goede stemming. Hij sloot aan bij de Evangelische Kirche en bidt elke dag. De ‘cult-coach’ hanteert een open geloofshouding, houdt van rituelen en komt tot rust in een kerk. Hij getuigt: ‘Geloof speelt zich vooral af in mijn hoofd en mijn hart.’ Hij verbindt zijn wereldbeeld met godsdienst en geschiedenis. Hij leest middeleeuwse literaire klassiekers, deelt de overtuiging van ‘het leven na dit leven’ en ziet in zijn christendom een morele leidraad. In een gesprek met een religieus-filosofisch magazine vatte hij het belangrijkste van zijn inborst samen als: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals wij ook vergeven aan onze schuldenaren.’ Deze zwaarwichtigheid brengt hij in de juiste verhouding met zijn zin voor absurde humor.

Jürgen Klopp heeft ook gevoel voor solidariteit. Zijn tweede vrouw Ulla Sandrock is auteur van kinderboeken. Ze schreef het tweeluik ‘Tom und der Zauberfussball’ en ‘Tom und der Zauberfussball in Afrika’. Over zelfbewustzijn, het maken van keuzes en het leren van samenwerking. En de wijze waarop voetbal daar een rol kan in spelen. Klopp keek een oogje mee en dicteerde het woord vooraf. Ulla Sandrock leidde een jeugdinternaat in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Ze betoogt: ‘Ik wil kinderen de cultuur en schoonheid van Afrika bijbrengen.’

Hij duikt geregeld op in de sector van het ‘Soziales Engagement’. Onder meer als ‘gezicht’ van de actie Fair Trade waar hij met een banaan in de hand poseerde voor een poster. Hij verleende zijn medewerking aan een campagne voor hernieuwbare energiebronnen. Met de uitspraak: ‘Ik ben een energieverbruiker. Als het hier naar zweet stinkt, dan ben ik dat.’ Hij dook ook de radiostudio in voor een voetbalhoorspel over emotionele momenten ten voordele van Roten Keil, een organisatie tegen kinderprostitutie.

Vanuit de Rote Erde zie ik hem verdwijnen in de dansende massa van de Gelbe Wand. Dat is echte Liebe. Oudere hippies voetballen in het park met Marokkaanse jongeren. De bal rolt in mijn richting. Ze nodigen me uit om hem terug te trappen. Mijn ingenieuze lobje blijft in een graszode steken.

Men scandeert en zingt Kloppo, du Popstar! Hier staat de Bono van het voetbal, de beste coach van het seizoen. Ik zocht en vond Jürgen Klopp.

‘Michel Preud’homme gedraagt zich voor de dug-out als een dorpsidioot. Keepers verkopen alleen maar onzin over voetbal.’ Also sprach Johan Derksen, de goeroe van Voetbal International. Meteen goed voor pagina’s krantenvoer in Vlaanderen en zelfs een rel op de Franstalige zender RTBf. Zijn wij allen dorpsidioten? De bromsnor had zijn zaakjes weer goed voor elkaar. Kassa! Kassa! Met nog een RTL-7-stukje-tomme-Pelgen-uitlach-televisie er bovenop.

Preud'homme

Dorst iemand Derksen tegen te spreken? Mij niet gezien. Ik ben alleen in gedachten ‘de beschermer van weduwen en wezen’, naar mijn favoriete stripfiguur, de antiheld Bert Bibber. Na een paar glazen Lindemanskriek besloot ik toch op te staan. Laat een mens zichzelf zijn! Ik verkies een molenwiekende Michel – op voorwaarde dat de emotie eerlijk is, dus niet zoals bij die kwast van een Mourinho – boven een klammehandjescoach. En daarom schrijf ik mijn pleidooi voor Preud’homme, voor de keeper als voetbalkenner. Waar komt die heftige gemoedsaandoening toch vandaan?
Het antwoord vindt men in… Mechelen.

Hij schittert in de zomer van 1994 op het podium van het wereldkampioenschap in de Verenigde Staten. De FIFA doneert hem met de eerste Lev Yashin Award – naar de legendarische Rus – en men roept hem uit tot keeper nummer één van het jaar 1994. Zijn voorgangers: Peter Schmeichel van Manchester United, Walter Zenga van Internazionale Milaan, Rinate Dassaev van Spartak Moskou. Michel Preud’homme presenteert…inderdaad… KV Mechelen. Kan het contrast scherper zijn? Retorische vraag, vanzelfsprekend antwoord. En toch is hij de beste en steekt er boven uit. Niet alleen in 1994, maar ook in 1990, 1989, 1988 en – waarom niet – in 1987. Toen werd Jean-Marie Pfaff (Bayern München) gelauwerd. Preud’homme popelt om de primus te zijn. Zelfs meer, zijn klassieke Latijnse opvoeding indachtig: primus inter pares. De eerste onder zijns gelijken, in wezen: hij die net boven de anderen staat. In zijn geval: op basis van klasse én werkethiek. Preud’homme is de éénling, die in een prozaïsche omgeving zijn limieten verschuift. Elke dag opnieuw, zeven seizoenen lang. Tot lichaam en geest verenigd zijn, al loert de overconcentratie al eens om de hoek en begrijpt hij niet dat er zelfs voor hem een denkbeeldige lijn van het protesterende lichaam loopt: tot hier en niet verder.
Het dagelijkse decor: een geschilderde goal – twee palen en een lat, in witte verf – op een versleten muur van bruine bakstenen. Tegen die muur: een ladder, voor als de ballen op het dak zouden vliegen. Voor die muur, modderbrij. Zo ziet het trainingsveld van KV Mechelen eruit. Duizenden schoten heeft hij hier gestopt sinds de zomer van 1986. Uit het zwerk plukkend, in de voeten klauwend, door zijn universum zwevend. Terwijl kauwt hij op een tabakspruim die hij uit bijgeloof onder zijn bovenlip duwt. Hij legt zichzelf discipline en gedrevenheid op. Nooit gezien, niet eerder en niet later: een beest! Coaches De Mos en Van Hoof zingen ter zake als een koor van eenstemmigheid. Hij eist die ernst ook van de collega’s, tot aan de opwarming voor de wedstrijd toe. Opvliegendheid bij verkeerd getrapte voorzetten, een zekere verkramptheid in de kleedkamer: hij trok wit weg volgens getuigenissen uit die tijd. Van de fixatie op dat ene wat op dat ogenblik van tel is: het stoppen van elke bal. Die dynamiek tast het team in goede zin aan. Het respect groeit, men weet: Preud’homme is onze zekerheid. Het geeft hem het noodzakelijke gevoel: ik ben hier de man.
Hij bant de sores uit zijn hoofd, duwt de zorgen van zijn vorige periode bij Standard naar de achtergrond: privéproblemen, profiteren van het leven, het omkoopschandaal, ‘feesten om te vergeten’, zware blessures, de beurtrol met rivaal Gilbert Bodart… De opsomming is eindeloos. De complete vernedering: men negeert hem voor het WK van 1986 in Mexico. Zelfs als derde man! Hij is op de dool, hij zit op een dood spoor. Mechelen geeft hem de staat van genade: wat een rendement! Tussen 1986-’87 tot 1990-’91: 18, 24, 18, 14, 24. De teller der tegendoelpunten! Hij wordt overstelpt met persoonlijke medailles: Gouden Schoenen in 1987 en 1989 en onophoudelijk de ‘Belgische doelman van het jaar’, liefst vier uitverkiezingen op een rij. Bekerwinnaar in 1987, Europacup – tegen Ajax – en Supercup – tegen PSV – in 1988, landskampioen in 1989.

In 1994 staat hij daar, als keeper van KV, de topper van de globe. In het spoor van Lev Yashin: de beroemde Russische zwarte panter, de grootste aller tijden, de legende van ‘the eccentric art of goalkeeping’. Het citaat is van Vladimir Nabokov, die zich in zijn vrije tijd amuseerde als amateur-ballenpakker. De schrijver, berucht om Lolita en vermaard om zijn dichtbundels en de roman De lach in het donker, getuigde over de aparte ‘kunst van het keepen in Rusland’: That gallant art has always been surrounded with an aura of singular glamour. Geschreven voor Lev Yashin, de zwarte spin. Weefde een web over het strafschopgebied. Regeerde met autoriteit en zelfbewustzijn. Dirigeerde zijn defensie, scherpte permanent de tactiek aan en ondermijnde de eigen zwakheden door intensieve arbeid. Hoge lichamelijke en geestelijke paraatheid. De kunst van het keepen, volgens de mythe van Moskou.
Heeft iemand – met enige zin voor overdrijving, hoewel – Yashin dichter benaderd dan de ‘Michel van Mechelen’?

Preud’homme, pseudoniem voor perfectionistische passie: hoe vermijden dat men zichzelf te kijk zet? De angst voor de blunder, bestaat de onhoudbare bal? Niet alleszins in the world according to Michel! Op het neurotische af, keepers zijn anders. Oefent het ambt – met zijn uitputtende training – speciale aantrekkingskracht uit op mensen met een bepaalde identiteit?
Eenzaam: een keeper is altijd alleen. Hypochondrisch: de ziekelijke vrees voor het kleinste kwaaltje. Wantrouwend: zal de bal mij te grazen nemen? Gek: het beoefenen van onverantwoorde lichamelijke risico’s.
Solitair en toch solidair: het individu organiseert het collectief, de doelman houdt met de ultieme redding het elftal overeind.
In 1994 is hij het springerige stadium voorbij. Zijn loopbaan is gelouterd, een aaneenschakeling van rise and fall. Met Standard van kampioen tot bankzitter. Met KV Mechelen van provincieclub tot Europacupwinnaar en terug. Met daarin één constante: Preud’homme blijft als een bezetene aan zichzelf werken. De soms onzekere ouderwetse lijnkeeper evolueert tot een bevelende meevoetballende doelman. KV is MP! Michel the Man!
De persoon-tussen-de-palen komt pas in het reine met zijn psyche als hij het conflict heeft gewonnen. Het gevecht met de elementen: wind, regen, zon maar ook coach, medespelers, publiek, pers. Als hij de zestien symbolisch heeft veroverd.
De filosoof Albert Camus (1913-1960) overleed enkele maanden na de geboorte van Preud’homme (1959). Hij kreeg in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur. Hij beschreef de absurditeit van het bestaan in zijn meesterwerken. Wat leerde hij zelf, als cafédoelman, van het keepen? Die ene levensles: de bal gaat altijd een andere kant uit dan je wenst.
Tussen 1986 en 1994 heeft Michel Preud’homme onophoudelijk getracht het onmogelijke tegendeel van deze wijze uitspraak aan te tonen.
Hoe zou de filosofie – en dus de wereld – er hebben uitgezien mocht Albert Camus Michel Preud’homme hebben gekend? De kunst van het keepen, volgens de mythe van Mechelen?

Helahola Johan Derksen: gun de coach van FC Twente – de keeper met de kennis van het voetbal – de uitbarstingen die bij zijn persoonlijkheid horen. Ziedaar mijn pleidooi voor Preud’homme. En dat allemaal dankzij een Lindemanskriek, het beste aller Belgische bieren. Leve de dorpsidioot!