The future of football is feminine part 3.

Sometimes all it takes is one ball and many dreams.
Zo klinkt de slotzin van het boek However tall the mountain. A dream, eight girls and a journey home (Hyperion Ed. New York, 2009) Dit is het waar gebeurde verhaal van Awista Ayub en van acht Afghaanse meisjes. De auteur schreef haar belevenissen neer in het boek However tall the mountain. Naar de helft van een populair Afghaans gezegde: hoe zwaar de beklimming van de berg ook moge zijn, er is altijd een weg. However tall the mountain, there is always a road.

Awista Ayub begon haar persoonlijke beklimming met de oprichting van haar Afghan Youths Sport Exchange in 2003. Ze werd geboren in 1979. Datzelfde jaar opende de voormalige Sovjet-Unie een oorlogsfront in haar geboorteland. Haar familie vluchtte naar de Verenigde Staten. Tijdens haar jeugd leerde ze het Amerikaanse vrouwenvoetbal kennen. Ze putte inspiratie uit de positieve kracht van women soccer. Ze zocht een middel om Afghaanse meisjes te verenigingen en hen hoop en plezier te bezorgen. Ze zag in voetbal een weg naar social change. Met haar eigen woorden: ‘to make a loud and clear statement for Afghan women.’ Ze verzamelde acht meisjes en bracht hen naar een soccer clinic van de International Children’s Games in Cleveland.
Ze leerden de geheimen van het spel en ontwikkelden zelfvertrouwen: voor het eerst in hun leven. Exemplarisch is het verhaal van keeper Samira.

Haar ouders gaven hun dochter een droom mee: vrijheid. Toen de Taliban in 1996 op een alle brutaliteit tartende wijze de macht grepen, veranderde het leven van Samira in extreme mate. Ze legden vrouwen alle denkbare verboden op en jonge meisjes mochten niet meer naar school. Haar vader onderwees zijn dochter in de clandestiniteit. Haar moeder prentte haar onafhankelijkheid in. Na de verdrijving van de Taliban uit Kaboel in 2001 stapte Samira in het project van Awista Ayub. Ze beoefende de kunst van het keepen en worstelde met de kernvraag ter zake: overwin de angst voor de bal, de tegenstander en jezelf! Zoek de kracht om ‘alleen te staan.’ Het bracht haar opnieuw op het spoor van het leven: ‘She stands alone in the goal. In this way, Samira begins to reenter her life.’

Ze keerden terug naar Afghanistan en verspreidden de spirit voor soccer.
Op 28 december 2005 trapte het team van Ayub de bal af van het eerste meisjeskampioenschap. Plaats van handeling: het nationale Ghazi Stadium, op dezelfde middenstip werden vrouwen tijdens de tirannie der Taliban geëxecuteerd. Met als decor: de agressieve massa.
Ze voetbalden met én zonder hoofddoek. Voor de burgeroorlog droegen de meisjes van Afghanistan immers de kleding die ze zelf verkozen betoogt Ayub: ‘Before those wars, women weren’t wearing scarves.’

Wat begon met acht angstige maar wel zeer gemotiveerde meisjes evolueerde tot een fenomeen van vijftien vrouwenclubs met 250 speelsters. Awista Ayub schrijft: ‘Against all odds and fear, these girls decided to come together and play a sport.’ Ze namen enorme risico’s om hun vrijheid af te dwingen. Tot vandaag wordt echter in Afghanistan – veelal met bedreigingen en vaak met geweld – nog steeds in vraag gesteld: mogen vrouwen voetballen volgens de aloude tradities en wetten der religie en cultuur? De mannelijke coach van het team van Awista Ayub botste een paar keer op de van woede withete vuisten van islamitische amokmakers. In het boek blaast hij uit: ‘Ik ben vermoeid van de voortdurende strijd. Soms gaat het mijn bevattingsvermogen te boven. Maar ik hou nog steeds van voetbal.’

However tall the mountain, there’s always a road. Sometimes all it takes is one ball and many dreams. Ziedaar de vervulling van de verboden voetbaldroom van Afghaanse meisjes.

The future of football is feminine! Alzo sprak de heer Blatter, Josephus.
Waarmaken die woorden, Sepp.

The Future of Football is Feminine, part two

In een optimistische bui riep de filosofe Julia Kristeva de 21 ste eeuw uit tot: die van de vrouw. Dan kende zij Andy Gray nog niet! De invloedrijkste – en duurste – Britse voetbalcommentator grapte op zaterdag 22 januari 2010 tegen collega Richard Keys over de vlaggende Sian Massey tijdens Wolverhampton Wanderers-FC Liverpool: ‘Vrouwen begrijpen de buitenspelregel niet. Waarom denk je dat ze het linesmen noemen?’ Dat was nog eens een billenkletser! Keys en Gray schuddebuikten van het lachen. Helaas, helaas: de microfoonlijn van de commerciële televisiezender Sky stond nog open. Het ontslag volgde. Gray – aan de deur gezet – en Keys – de zogenaamde eer aan zichzelf houdend – waren niet aan hun proefstuk met hun kletspraatjes. Kan het nog smakelozer? Het kan! Kende Julia Kristeva bij haar uitspraak de reputatie van de harde kern van AA Gent? Zij kende die niet. Wat dacht u van deze? ‘Zij is de hoer van Nzolo, zij is de hoer van Nzolo, de hoer van Nzolo’. Vermenigvuldig met een keer of tien. Zo zongen de welopgevoede jongens van AA Gent op zondagavond 23 januari 2010 bij de streekderby tegen Sporting Club Lokeren. Doelend op grensrechter Ella De Vries en op de uit Gabon afkomstige arbiter Jérôme Nzolo. Het verhaal was geen debat ten gronde waard in België. Verlos ons van deze jonge heertjes en hun maniertjes. In Engeland keerden de media de affaire Gray-Keys wèl binnenstebuiten. The Guardian legde de link met een UEFA-congres in Amsterdam op 18 januari 2010 omtrent ‘institutionele discriminatie’. Bedoeld werd: het gebrek aan vertegenwoordiging van vrouwen in de cenakels van de macht, waar de invloed der ‘old boys’-netwerken welig tiert. David Conn schreef: ‘The lumpen embarrassements of Sky TV’s Richard Keys and Andy Gray could hardly have been better timed.’

Een onderzoek van Steven Bradbury van de Loughborough University duwde de vinger nogal nadrukkelijk op de wonde. Enkele uitzonderingen in Scandinavische landen daargelaten worden de belangrijke functies bij bonden en clubs bezet door ‘blanke, bejaarde mannen’. Bradbury bleek nogal duidelijk: ‘More than 99% of white collar staff at professional clubs and national football associations are white, and overwhelmingly men.’ Meer dan 99%! Of de 21ste eeuw daadwerkelijk die van de vrouw zal worden, is mij een raadsel maar in 2011 staat de focus hoe dan ook op het Weltmeisterschaft Frauen Fussball in Duitsland. Ik denk, de Jasmijn- en andere revoluties indachtig: daar dient zich het momentum aan! Hebben we werkelijk niet genoeg van bobo’s met smeergeldschandalen en andere stommiteiten? Welaan dan: gendergelijkheid moet de norm worden, ook op het hoogste niveau. Te beginnen dus bij FIFA en UEFA. Ik pleit voor de Amerikaanse Mia Hamm – beste voetbalster aller tijden – als toekomstige FIFA-voorzitster. En zet Steffi Jones, wereldkampioene met Duitsland en coördinatrice van het komende WM 2011, aan het roer bij de UEFA. Beiden hebben ook een sterk sociaal geëngageerd profiel. Iemand moet het hen vragen, dat is bij deze dus gebeurd. Zo hangen we graag even de populaire Koos uit, ’t is niet voor onszelf maar wel voor: de vrouwen aan de macht in het voetbal! Niet morgen, nu! Laat de 21 ste eeuw die van de voetballende vrouw worden, overal ter wereld. En zo blokken we Blatter met zijn eigen toespraak om de oren: The future of football is feminine.

Deze week riep FIFA voor de vijfde opeenvolgende keer de Braziliaanse Marta uit tot beste voetbalster van de wereld. Haar opvolgster is bekend: Lira Bajramaj (1988). Het is een kwestie van tijd vooraleer de derde genomineerde van het gala de scepter van Marta overneemt.

De toekomst van het voetbal is vrouwelijk! Zo klinkt haar favoriete uitspraak.
Op het veld straalt de voetballende moslima het charisma uit van…zichzelf: modieuze haartooi, opvallende make-up, rode schoenen. In het boek ‘Mein Tor ins Leben’ (Südwest Verlag) beschrijft ze haar verhaal: Vom Flüchtling zur Weltmeisterin. Van Kosovaarse vluchteling tot wereldkampioen met Duitsland in 2007.

Ze woonde in 1993 met haar familie in een asielcentrum.
Elke dag na schooltijd trok ze naar het pleintje, in de zomer voetbalde ze zonder schoenen om alle trucs te leren. Ze imiteerde Ronaldo en Zidane. Ze was een straatschoffie. Ze begon op haar zesde te voetballen in het park. Ze vreesde dat haar vader – ‘jongens waren in Kosovo altijd wat meer waard en een moslima voetbalt niet’ – het haar zou verbieden, dus droeg ze een t-shirt van haar broer, om te verbergen dat ze een meisje was.
Enkele neonazi’s, met kaalkop en bomberjack, passeerden en schreeuwden haar en haar broer toe: ‘Scheissausländer, durft hier nicht spielen!’ Later kreeg ze ook wat racistische sneren toegesnauwd tijdens jeugdwedstrijden.
In haar boek vertelt ze: ‘Toen ik bekendheid genoot en de Bomberjacken uit mijn buurt opnieuw tegenkwam, liepen ze mij met gebogen hoofd voorbij. Misschien hebben ze mettertijd van hun domheid geleerd.’

Als kind van vier vluchtte ze met haar ouders uit Kosovo. Ze behoorden tot de Albanese minderheid en ze werden bedreigd door de Servische politie.
In 1992 steeg de spanning ten top. Haar familie koos ervoor om onverhoeds het land te verlaten – ‘zonder eten, zonder visum, zonder iets’ – en een barre trip door half Europa – ‘na een gevaarlijke, nachtelijke boottocht over de Donau’ – bracht hen van geboortestad Gjurakovc naar het onbekende dorpje Giesenkirchen. Ze vond voor zichzelf een weg: voetbal! Haar talent bracht haar tot wereldbekerwinnaar maar haar lot vergat ze niet: ‘vluchteling’. Zo stond het op haar eerste paspoort. Want: ‘Dat is niet meteen het begrip waarmee men door het leven wil.’
Ze kent de vertwijfeling van de Afrikaanse vluchteling die de dood trotseert. Ze hoopt dat haar verhaal moed geeft aan mensen die zware risico’s nemen om aan de ellende te ontsnappen. En voortdurend in angst leven. Angst. Diep in haar binnenste blijft de herinnering aan die beklemdheid. Vrouwen van Albanese afkomst, zoals haar moeder, werden begin jaren negentig in Kosovo beschimpt als ‘hoeren’. Ze konden niet meer de straat op, uit vrees voor gewelddaden. De Servische geheime diensten mishandelden, isoleerden en moordden. Men verbood onderwijs in de Albanese taal. De enige optie bleek: het hazenpad kiezen.

Ondanks haar Duitse nationaliteit blijft haar heimat in hoofd en hart. Na de winst met haar club FCR Duisburg in de Uefacupfinale van 2009, zwaaide ze met de beker naar het 28.000 koppen tellende publiek en wees naar de letters op haar speciale shirt: ‘Kosova’.

Met Mein Tor ins Leben roept ze op tot een betere verstandhouding, meer bereidheid tot integratie maar vooral om als vrouw steeds in jezelf te geloven.
Haar persoonlijke droom: zelfstandigheid en emancipatie. Overwin je weerstanden, kies je eigen kleding en schmink en…speel voetbal!
Ze verspreidt deze verheven gedachte via een integratieproject én als Europees Ambassadeur tegen Armoede en Sociale Uitsluiting. Ze vertelt het in scholen aan meisjes met een migranten- en/of islamitische achtergrond. Over haar schrijven de kranten: Sie macht muslimischen Mädchen Mut! Ze roept op: ‘Heb moed, discussieer met je ouders. Voetbal helpt, verschaft zelfbewustzijn, opent vriendschappen en breekt barrières’. Ze wil het grote publiek vertellen hoe hard een ‘vluchtelingenkind’ moet vechten om te overleven in Duitsland. ‘Voetbal heeft me geholpen. Ik hoop dat mijn boek andere jonge vrouwen aanspoort om mijn pad te volgen.’

Ze troeft tijdens het populaire spelletje ‘ballen-door-een-gat-schieten’ van het televisieprogramma Sportschau de mannelijke collega’s af: in maatpak en op hoge hakjes.
Desondanks profileert ze zich ook als een gelovige moslima, zij het zonder hoofddoek. Ze beweert: ‘men moet geen hoofddoek dragen om een moslima te zijn.’ Ook haar moeder droeg die nooit, voor haar was dat geen thema. Ze interpreteert haar geloof op een moderne wijze. Met een gebed, een feestje en een drankje. Ze kant zich tegen het beeld dat fundamentalisten van de islam hebben geschetst maar evengoed tegen de klassieke vooroordelen die alle moslims over dezelfde kam scheren. Ze roept moslima’s op om te sporten, in korte broek en t-shirt. Ze wil meisjes stimuleren om te voetballen, mét maquillage!

Op vraag van het humanitaire World Vision zet ze zich in voor de achtjarige Amina in Tanzania. Ze steunt het verhaal van ‘Entwickelungshilfe statt Erholung’, lees: ontwikkelingshulp door ontspanning. Naast het boren van waterbronnen en het renoveren van dorpsscholen trachten World Vision en Lira Bajramaj de interesse van meisjes aan te wakkeren om … te voetballen.
Het zou haar verheugen mocht haar boek haar godsdienst in een ander daglicht stellen. ‘Dehn ich bin nicht anders. Ich bin Muslima.’ Van vluchteling tot wereldkampioen, het scenario van een film. Met Lira Bajramaj is de toekomst van het voetbal vrouwelijk.

In het dagelijks leven ben ik doorgaans een vriendelijke gozer, van het type dat graag een schouderklopje uitdeelt maar anderzijds toch liever geen geouwehoer om het hoofd heeft. Ik trek me graag terug in een bruine kroeg – met een rood kriekbier – om er als een soort kamergeleerde te snuffelen in pakken documentatie, afkomstig uit alle hoeken van de globe over de impact van voetbal op leven en welzijn. Ik overpeins er mijn straatschuimersachtige samenkomsten met vogels van het meest vreemde pluimage, getekend door één gemeenschappelijke drift: de passie voor het spel om de bal én voor de, vaak ontsporende, medemens. En hoe beide dingen elkaar kunnen bestuiven. Ik blader er door rapporten, publicaties, correspondentie en boeken ter zake. Viel ik even achterover toen ik in het jubileumnummer van Supporter, kwartaalblad over sport & ontwikkelingssamenwerking – tiende verjaardag, waarvoor welgemeende felicitaties voor het waarlijk baanbrekende werk – Simon Kuper in een gastcolumn rake klappen zag uitdelen. Hij stak de draak met humanitaire helpers die het voetbal benutten om Afrikaanse jongeren op de gevaren van AIDS te wijzen. Hij sneerde: ‘de sport-voor-ontwikkelingsindustrie-wordt door gelovigen bevolkt’. Ik pufte, want dan volgde: ‘Er zijn goede redenen te twijfelen aan het grote idee dat sport vrede kan stichten.’ Toen pas draaide hij het mes echt in de wonde: ‘We weten simpelweg niet of sport ontwikkelt. Helaas ontbreekt het bewijs.’ Daar wankelde mijn wereldbeeld!

Tsjonge, tsjonge was dat even schrikken! ‘Helaas ontbreekt het bewijs’. Die Simon Kuper is natuurlijk niet de eerste de beste. Hij verwierf naam en faam met het boek ‘Football against the Enemy’, in het Nederlands gepresenteerd onder de titel ‘Voetbal als oorlog.’ Ziedaar het voornaamste statement van deze auteur, zo’n vijftien jaar geleden. Sindsdien heeft hij de status van een heilige bij zijn volgelingen in de media: Saint Simon. Is er iemand die hem durft tegen te spreken? Ik alvast niet, mompelde ik bij mezelf. Ik ben toch geen held? ‘Het bewijs ontbreekt!’ Wie wil er leven met wetenschappelijke bewijslast op de rug? Zichzelf in academische argumentatie gieten? Weten we wél of sport ontwikkelt? Weten we dan wel dat het niet ontwikkelt? Is de stelling ‘voetbal als oorlog’ gebrevetteerd? Wie toont onomstotelijk deze waarheid aan? Is dit wetenschap, of is het schetenwap? Dat placht de favoriete, lichtjes knotsgekke, professor van mijn studententijd uit te roepen. Gelijk had ie! Hij lepelde ons een gezonde dosis scepsis in tegenover rigoureuze wetenschappelijke bewijsvoering. Is de psyche van de mens in een dossier te vangen? Is gedrag ten allen tijde meetbaar? Zal de zich misdragende minderheid/enkeling er niet worden uitgevist om het resultaat pootje te lichten?
Misschien moest iemand Simon Kuper voorzichtig in het oor fluisteren dat hij toch is blijven steken in de eigen clichés en een evolutie of drie gemist heeft.

Spookte spontaan door mijn hoofd: de ontmoeting met de Deen Anders Levinsen, het brein achter de Cross Cultures Open Fun Football Schools. Winter 2008, hartje Brussel. Hij overhandigde mij, in een tweederangspizzarestaurant, een document waarvan ik dacht dat het spijkers met koppen sloeg: ‘Tussen 1998 en 2007 werden over de hele Balkan 563 voetbalscholen opgezet met 115.884 deelnemende kinderen. Meisjes en jongens speelden met de bal, onder leiding van een slordige 900 coaches en vrijwilligers.’ Een professor geschiedenis uit Bosnië-Herzegovina onderzocht volgens Levinsen het concept van ‘openheid, educatie, voetbal & ambiance’ en concludeerde: ‘Vandaag is de Open Fun Football School de enige plaats in dit door de oorlog geteisterde land waar kinderen van om het even welke achtergrond elkaar zonder problemen ontmoeten.’ Zou Simon Kuper hiervan op de hoogte zijn? Welk verdict zou hij vellen? Het angstzweet brak me uit. Ik zag hem in mijn verbeelding vanachter het gordijn opduiken, het vingertje bezwerend in de lucht: ‘Het is niet waar, u zijt gelovigen!’

Spookte opnieuw spontaan door mijn hoofd: een gesprek met Willi Lemke, in het historische Park Hotel van Bremen, herfst 2010. De voormalige manager van Werder reist sinds 2008 de wereld rond als ‘eerste verantwoordelijke voor de Verenigde Naties op het terrein van sport, vrede en ontwikkelingssamenwerking’. Ik interview hem over zijn boek ‘Ein Bolzplatz für Bouaké. Wie der Sport die Welt verändert und warum ich mich stark mache für die Schwachen.’ Lemke vertelde twintig hartverwarmende verhalen, van Zuid-Afrika tot China : ‘Sport im Dienst von Frienden und Entwicklung’! De beklemming sloeg toe. Ik vreesde elk moment een uit de kast springende Simon Kuper, sardonisch schreeuwend: ‘Het bewijs ontbreekt dat Willi Lemke écht bestaat!’

Ik pieker mij kapot. Nog een derde keer proberen, spookte nogmaals spontaan door mijn hoofd: bezoek aan Notts County, zomer 2008. Gesprek met Graham Moran, de praatgrage communitymanager van de oudste nog bestaande club van Engeland, een vierdeklasser uit Nottingham, de stad van Robin Hood. De hartelijk op mijn rug koekende voormalige profvoetballer strooide luidruchtig met zekerheden: ‘Onze sociale werking behoort tot de beste van het land. We bezoeken negen zogenaamde deprivated neighbourhouds in de stad: antisociaal gedrag, criminaliteit, werkloosheid. We houden kinderen van de straat met sportieve en opvoedkundige activiteiten. Vier avonden per week leren we hen alternatieve opties en zelfvertrouwen opbouwen en in het stadion volgen ze lessen in het Study Support Centre. Ik weet heel zeker dat we via het voetbal het leven van vele jongeren hebben verbeterd.’ Stilte. Ik stamelde in mijn beste steenkolenschots: ‘Can you prove this? Do you have the evidence?’ ‘Evidence? Who the fuck cares?’ bulderde hij en slurpte in één teug zijn Robin Hood Beer leeg. Ik schrok me een hoedje en tierde op mijn beurt: ‘Evidence, who the fuck cares?’ Zo hoorde ik het graag. En ik dronk ook in één keer mijn Robin Hood Beer uit. In het dagelijks leven gedraag ik me immers als een vriendelijke gozer.

Maar ik supporter niet voor Simon Kuper.

John Lennon (9/10/1940-8/12/1980) – zanger-songsmid-oprichter van The Beatles en tot aan zijn dood zijn revolterende, individualistische, eigenwijze zelf – werd in zijn geboortestad Liverpool van 9 oktober tot 8 december 2010 uitgebreid herdacht met een Testimonial Tribute. Hield hij ook van voetbal?

Ik wilde John Lennon zijn. Wie niet, in de jaren zestig en zeventig? Het is zomer 2002 of daaromtrent, ik leun tegen John Lennon aan. Althans tegen zijn standbeeld: lang haar, leren jekker, rock-‘n-roll-attitude. Hangend tegen de gevel van de Cavern Club in Liverpool. Ik vraag de Japanner van dienst om mij met mijn held te vereeuwigen op de foto.

Mathew Street zuigt je naar je toe, de muzikale straat is één bruine kroeg.
The Cavern – waar het rond 1960 allemaal begon – kondigt de jaarlijkse internationale Beatlesweek aan. Imitators van Mexico tot Australië wagen zich elk jaar in augustus – inclusief snor, baard, ziekenhuisbrilletje – aan het repertoire van The Fabulous Four: Paul McCartney, John Lennon, George Harrison, Ringo Starr. Zij bedachten rond 1963 een heerlijke creatie: de Mersey Sound, gedoopt naar de plaatselijke rivier. Vrijwel samen met The Beatles gaven Gerry and the Pacemakers en zangeres Cilla Black een herkenbaar gezicht aan dit originele popgeluid.

Liverpool is more than a place where music happens. Liverpool is a place why music happens. Ik blader in het markante én uitstekende boek ‘Liverpool. Wondrous Place. Music from Cavern to Cream’ (2002 Virgin Books), een klassieker in de muziekgeschiedschrijving, van Paul du Noyer.
De auteur is één van de bekendste rockjournalisten van Engeland. Van zijn hand zijn ook ‘John Lennon, The Story Behind Every Song 1970-1980’ en ‘The Cavern, the most famous club in the world.’
Du Noyer verklaart de obsessie van de oude havenstad voor het entertainment, met de neus figuurlijk gericht op Dublin (folk) en de Verenigde Staten (blues, soul, country): the home of popular music.
The Beatles openden de doos van de verbeelding voor de Engelse jeugd in de jaren zestig. Ze gaven de ruige rock’-n-roll een melodieuze lijn en hun muziek vond de weg naar de Kop, de staantribune van Anfield Road en FC Liverpool. Enigszins paradoxaal dankzij de aanwezigheid van de oude charismatische coach Bill Shankly. In de pubs rond het stadion herschreven jongeren in de dagen voor de wedstrijd in eigen woorden de nummers van The Beatles (She Loves You, The Yellow Submarine, Hey Jude), of zongen de hits van Gerry and the Pacemakers (You’ll Never Walk Alone, I like it) en Cilla Black (Anyone who has a heart). Ter bewijs: klik op http://www.youtube.be en zoek naar The Kop Crowd 1964.
Die Kop kreeg de allure van een nieuwe jeugdcultuur, werd een popgroep op zichzelf, was een Cavern in het kwadraat: ‘You may not have made it to the Cavern, at least you where there on the Kop.’ Ik lees het in de geschriften van Paul du Noyer, overwin mijn schroom en stuur hem een e-mail. Een nachtje later vind ik het antwoord in mijn box, zo gaat dat tegenwoordig. Hij schildert de Mersey Sound af als een stijl die gevormd werd door zowel de popmuziek van de bands uit Liverpool als van zingende voetbalfans: ‘Mersey Sound was a phrase used by the media to mean both the pop music of Liverpool bands and the roaring/singing of the terraces. The crowd would take any well-known chart hit of the time and add new words. However, there is still great respect for John Lennon in Liverpool because he is seen as a rebel and a man who spoke his mind, even if it got him into trouble.’

John Lennon beïnvloedde dus het specifieke gedrag van een deel van het voetbalpubliek uit Liverpool in de swinging sixties. Ik stel mij de vraag: was hij zelf een liefhebber? Lennonologen beweerden steeds van niet. Desondanks! Luister, zijn vijfde solo-album – Walls & Bridges – verscheen in 1974 en stond bol van de persoonlijke twijfels. Hij worstelde met mentale onrust, besloot tot een tijdelijke scheiding van zijn vrouw Yoko Ono, zocht opnieuw contact met zijn zoon Julian uit zijn eerste huwelijk en ontwierp in Californië intensieve en donkere songs als Whatever gets you thru the Night en Nobody knows you when you’re down and out.

Voor de cover van de elpee, zoals dat toen nog heette, diepte hij een eigen illustratie uit zijn kinderjaren op. Hij tekende in juni 1952 drie voetballers uit de FA Cupfinale van dat jaar tussen Arsenal en Newcastle United. Het is niet zijn enige verwijzing naar voetbal. Naast geintjes op de hoes van Sergeant Peppers’ Lonely Hearts Club Band (1967, met een speler van FC Liverpool naast Marlène Dietrich) en in de film Help (1965, met roodwitte sjaals) prevelt Lennon in het improviserende Dig It (uit Let it Be, 1970) ook de naam van… Matt Busby. De legendarische trainer van … Manchester United voetbalde zich in de jaren dertig in de kijker bij…FC Liverpool en behoorde tot de favorieten van zijn vader.

Onder druk van hun manager spraken The Beatles nooit een persoonlijke voorkeur uit voor Everton of Liverpool. Paul McCartney onderschrijft vandaag het ‘blauwe geloof’ van Goodison Park. Op zijn suggestie prijkt op de website van de ‘Toffees’ ook de naam ‘Lennon’ in het lijstje van ‘celibrity fans’. Pete Best, de oorspronkelijke drummer van The Beatles en de voorganger van Ringo Starr, onthulde in 2009 de vage puberdromen van John met een verrassende uitspraak: ‘He was a talented footballer with dreams of playing for Liverpool before the band shot to stardom. He always used to have a ball at his foot and had the best skills in the band, he could play a little bit to be fair.’

Hoog tijd voor een nieuw bezoekje aan The Cavern, denk ik dan. Wie vormt er mee een ‘gelegenheids-Beatles-bandje’? Ik wil wel John Lennon zijn.

Aaah het WK 2018! Ik vrees: het zal aan onze neus voorbij gaan en dan hebben we een historische kans gemist.

In een mistroostige bui besloot ik in de winter van 2007 om mij aan stichtende lectuur te zetten: Fussball Weltmeisterschaft 2006. Abschlussbericht der Bundesregierung. Ik weet: dit vraagt een stevige klap van de molen. De gemiddelde Nederlander imiteerde op dat ogenblik de grollen van Youp van’t Hek en de dito Vlaming probeerde de recepten uit van de populaire televisiekok SOS Piet. Bestsellersboekjes maar ikzelven las dus iets enigszins anders. Tot wat is een mens allemaal in staat als hij zich verveelt? Downloaden dus, dat eindrapport van de Duitse regering van 210 bladzijden – goedgekeurd door parlement en vanzelfsprekend officiële en rechtstatelijke cijfers – over het WK 2006.
Wat vonden we in die razend spannende turf? Even ons Duits reanimeren. In koor, de ezelsbruggetjes vanuit onze schooltijd ‘Ausbeimitnachzeitvonzu’ (X3, we brulden het door de klas).

Bij het volgende denkt u vermoedelijk dat ik probeer om u iets op de mouw te spelden. Nochtans beweren we dit niet zelf, integendeel, het spruit voort uit ambtelijke achtergronden: het WK 2006 is een zuivere trendbreuk geweest met de vorige. Op het spirituele terrein! Het verbond voetbal met de filosofie van ‘people, planet, profit’: Die Welt zu Gast bei Freunden! Het hele land, met alle terreinen van het maatschappelijk leven, achter de slogan. En met volgende vijf bouwstenen:

• economisch zelfbewustzijn via zuurstof voor toerisme en bedrijfsleven met ‘Deutschland, 365 Orte im Land der Ideen’
• een kunst- en cultuurprogramma over drie jaar gespreid met 50 projecten uit de sfeer van dans, muziek, theater, film, literatuur, tentoonstelling: 3,5 miljoen bezoekers
• duurzaamheid in de nieuwe stadions via ‘Green Goal’: versterking openbaar vervoer (75% van de verplaatsingen tijdens het WK); aanleren ecologisch verantwoord consumentengedrag tijdens matchen; zonne-energie en waterbeheersing
• welzijn en onderwijs met campagnes rond buurtwerk, integratie en ontwikkelingssamenwerking
• verbroedering en ambiance via fanfeesten, een nieuwe supporterscultuur met meer dan 40% vrouwelijke bezoekers

Alles kan beter, maar dit was zeker niet slecht. Bovendien, het hield niet op: de geboekte winsten van de voetbalbond (DFB) en de profliga (DFL), zijnde elk 28,25 miljoen euro voor beide structuren, kregen gedeeltelijk een aangename bestemming: schooltoernooien; jeugdopleiding; stimulering van vrouwen- en meisjesvoetbal met 1 miljoen leden; ‘soziales Engagement’ via de Bundesliga Stiftung én steun aan Olympische sporten dankzij een solidariteitsfonds. Jawel!


Waar zijn de mensen nog niet van op de hoogte? Kassa! Kassa! Clubs die hun stadion dankzij het WK konden renoveren en uitbreiden boekten 5000 tot 15000 nieuwe toeschouwers. Niet per seizoen, wel per thuiswedstrijd! Sinds 2006! Bundesliga’ booming. Wie vat dit eens in een cijfer, vijf jaar na het WK? Welk economisch effect heeft zoiets: merchandising; gebruik van metro, trein en bus; benutting van drank en voeding; verkoop van tickets?

Ik voer vervolgens bij deze graag voor u op: Holger Preuss, sportwetenschapper aan de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz. Hij bestudeerde de economische impact van het WK met zijn ‘Eine Empirische Analyse zur Fussball-Weltmeisterschaft 2006’. (Gabler Verlag, 2009) en besloot: ‘De Fanfeesten zorgden niet enkel voor een partystemming maar waren ook een economische succesfactor: 900.000 buitenlandse bezoekers!’ En weer even uw Duits testen. Gooi jezelf in de groep met Dativ en Akkusativ: ‘Ingesamt trügen die ökonomisch relevanten Fan-Fest Besucher knapp 1 Miljard Euro zu Primärimpuls bei.’ Preuss berekende het totale plaatje voor de Duitse schatkist: ‘1,265 miljard opbrengsten.’ Met wie hebben we hier de eer? Inderdaad, met Holger Preuss, een economische sportspecialist van hoog niveau. Die een nieuwe methode ontwierp – ook wel op de korrel genomen, daar is het nu net wetenschap voor – en die wijst op de globale en langdurige effecten van een WK op welvaart (infrastructuur, openbaar vervoer; toerisme, dienstverlening), internationaal imago (meer economisch zelfbewustzijn) en het sociaal-culturele (vrije tijdsbedrijvigheid, sociale interactiviteit en ecologische omkadering). Zware woorden, maar vederlicht dicht bij het dagelijks leven.

Genoeg over geld, ga naar het geluk. Want welke aparte voorlichting schenkt ons de observatie van die sympathieke Stefan Szymanski, een Engelse sporteconoom van naam en faam? Dé factor feelgood! De invloed op het bruto nationaal geluk! ‘De mensen voelen zich gelukkig bij het schrijven van een gemeenschappelijk verhaal als het Wereldkampioenschap Voetbal. Dat verhoogt de sociale cohesie en het zelfrespect van de natie.’

Szymanski berekende dat het organiseren van de Olympische Spelen eenzelfde effect heeft als een WK. Volgens zijn cijferwerk zou Londen 2012 voor de hele Britse bevolking 31 miljard pond ‘geluk’ opleveren. Omgerekend naar het WK in de Lage Landen zal dat richting ’20 miljard euro geluk’ evolueren. Waar is dat feestje? Hier is dat feestje!

Wat nog? Even denken, vast staat: dit! Bij 2018 wordt het menens. Van dan af zal de ‘legacy’ – sociale, culturele, ecologische en economische component – uitgroeien tot het belangrijkste onderdeel van een wereldbeker voetbal, vanzelfsprekend na het sportieve. Interesseert ons dit niet? Inderdaad, het interesseerde ons niet.

Aah, het WK 2018. Ik vrees dat het niet voor de Lage Landen zal zijn – die Russen kunnen ze kussen – maar wat hebben we dan een historische kans gemist!

Wou Roberto Baggio graag dansen met de vrije vrouw Aung San Suu Kyi? De mensenrechtenactiviste – Nobelprijs voor de Vrede in 1991 – zuchtte sinds 1989, na de zege van haar partij in de verkiezingen – onder huisarrest en andere idiote dwangmaatregelen van de militaire zeloten die haar land om zeep hielpen. Sinds 13 november 2010 is ze een vrije vrouw, mogen we dat vermoeden? Dan weze haar een dans gegund met Roberto Baggio. Hij ontving op 12 november 2010 in Japan de zogenaamde Peace Summit Award uit handen van de conferentie van Vredesnobelprijswinnaars.

Il Divin Codino wordt geëerd voor zijn vrije geest. De ‘goddelijke paardenstaart’ wendde zich tot de kale dalai lama. Met meditatie, met mildheid bij het menselijk falen, de kern van het door hem omarmde boeddhisme. Niet om de eigen dwalingen goed te praten, maar om ze een plaats te geven in het panorama van een levensloop. Roberto Baggio smaakte het applaus van de tegenstander en de publieke opinie bij zijn gedurfde, aparte en tegendraadse keuzes op het veld. In 1987 besloot hij, pas hersteld van twee jaar blessureleed, tot een inspirerende wandeling over het veld van San Siro. Hij scoorde namens i viola – Fiorentina – tegen de rossoneri van Gullit en Baresi. Na een seconde van verstomming, uitte het publiek van… AC Milan zijn dankbaarheid voor zoveel schoonheid. Met zijn superbe slaloms voelde hij zich thuis tussen de renaissancekunst van Florence. Toen het bestuur van Fiorentina hem in 1990 voor onaanvaardbaar veel geld veilde aan Juventus stond de stad in rep en roer. Er barstte een volksopstand los, met gewonden en arrestanten. Een jaar later weigerde hij de penalty te trappen tegen zijn paarsen. De vervanger miste, de Fiorentinafans zongen hem de hele wedstrijd toe tot zijn coach hem uit doffe ellende verving. Tegen alle conventies in verliet hij het veld met een purperen sjaal om de hals. De tifosi van La Vecchia Signora kropten hun wrok op tot 17 april 1993. Roby lichtte het onklopbaar gewaande AC Milan een voetje. Met sprankelende deviaties gaf hij de roodzwarten een les in nederigheid: 3-1. Men trakteerde Baggio op een staande ovatie. Hij speelde zich echt in de harten van de bianconeri met zijn intelligente goals in de gewonnen Uefacupfinale tegen Borrusia Dortmund. De bekroning en ontlading volgde met de uitverkiezing tot Europese Gouden Schoen van 1993. Michel Platini beschreef zijn opvolger bij de zwartwitte Oude Dame als un joueur très complet. Het beste moest nog komen. Zijn intellectuele toets vermengde zich met de wetenschappelijke systematiek van de vernieuwende bondscoach Arrigo Sacchi. Die bedacht voor hem de vrije, zwervende rol. De broeierige Amerikaanse WK-zomer van 1994 werd die van Roberto Baggio. Aanvankelijk nog controlerend en calculerend, vervolgens dominerend: vijf beslissende doelpunten in de wereldbeker. In de finale legde hij het Braziliaanse spel aan banden. Zoals in de oude tijden bij Fiorentina, toen hij betere tegenstanders de benen én de adem afsneed door subtiele variaties in positiespel en balcirculatie. Dat hield hij 120 minuten vol, in de verzengende hitte van de Rose Bowl in Los Angeles. Bij de laatste trap liet zijn mentale meesterschap over de bal hem in de steek. Hij schoot de strafschop hoog over en zocht nadien de eenzaamheid op. De passage paste in het scenario van zijn leven. Hij nam het risico van de mislukking op zich.

De in 1967 geboren Baggio voelde zich een vreemd wezen in het calcio. Hij kwam in het reine met zichzelf nadat hij zich bekeerde tot de spirituele stroming van het Soka Gakkai Buddhism: op zoek naar de staat van geluk via ‘vrede, vrijheid en mededogen’ voor vrienden, familie en gemeenschap. Zo counterde hij de prestatiestress uit het hoofd en de bevelen van dwangmatige coaches uit het lichaam. Zijn bewegingen stroomden over van energieke harmonie. Wat een contrast met de gecorrumpeerde, negatieve en altijd onrustige schijnwereld der Italiaanse voetballerij.

Hij pleitte jaren voor de vrijlating van Aung San Suu Kyi en voerde via onder meer zijn persoonlijke website campagne voor haar. Met zijn internetblogs zette de door ‘mensenrechten’ en ‘wereldvrede’ gepassioneerde spelmaker-spits – tevens ambassadeur van de Wereldvoedseldag United Against Hunger en ontwerper van een stichting voor slachtoffers van landmijnen – ook persoonlijke gesprekken met zijn fans op. Voetbal was zelden het hoofdthema, hij peilde naar persoonlijke gevoeligheden. Vanuit meditatie en mildheid voor het menselijk falen. In gedachten vraagt Il Divin Codino de vrije vrouw Aung San Suu Kyi ten dans.

Café Scheltema, 1 november 2010. Een typische bruine kroeg in Amsterdam. Aanwezig: enkele helden uit mijn jeugd. Piet Keizer, Rob Rensenbrink, Wim Suurbier, Johnny Rep. Johnny Rep! Oranje 1974. Verder: televisiepresentatoren, schrijvers, cabaretiers, dichters. Het ademt de Amsterdamse sfeer van de jaren zeventig. De reden: Jan Mulder came to town. De 65-jarige schrijver, columnist, tv-persoonlijkheid presenteerde zijn biografie. Een monumentaal werk van 526 pagina’s, met prachtige fotografie en geschreven door zes auteurs, gepubliceerd door ‘De Buitenspelers’, een uitgevershuis van internationale kwaliteit. Ik mag Mulder. Hij uit zich graag met wilde theorieën genre ‘laten we voetballen zonder tackle; alle trainers buiten’. Op televisie demonstreert hij zich bij voorkeur in de overtreffende trap. Lachend en schreeuwend, meent-ie-het-nou-of-niet? Tegen de algemene opinie inroeien. Bombardementen afkeuren, vegetariërs verdedigen, bepleiten van vrouwenrechten in de islamitische wereld, met humor opkomen voor homo’s. Brede gebaren, uitdagende smoel. De kunst van de overdrijving, de overdrijving als kunst. Zoals bij de beschrijving van zijn liefde voor Anderlecht, het eerste en beroemdste handelsmerk van de voetballer Jan Mulder. Wie herinnert zich dat nog? Ik dook, als mede-auteur van het boek, in zijn Brusselse jaren 1965-1972. Samen met François Colin, de Vlaamse senior soccer writer. We ontdekten dat Jan Mulder vandaag nog steeds leeft in een ‘Anderlecht state of mind.’ Het is een ‘mood’, een geestesgesteldheid, een levenshouding.

Jan Mulder en Anderlecht. Het is een verhaal van verlangen en beproeving. Een hunkering naar de herinnering aan het succes van het gouden purperen team in de jaren zestig, vijf keer op rij kampioen. Een melancholische kwelling als gevolg van de mijmering aan de mooie episode van weleer, die nooit meer terugkeert.
A la recherche du temps perdu, de onuitputtelijke en beroemde romancyclus van de negentiende eeuwse Franse auteur Marcel Proust wordt door sommigen geïnterpreteerd als ‘het zoeken naar het verleden dat verloren is gegaan en hersteld zou moeten worden’. Het lijkt alsof de oudere Jan Mulder voortdurend ‘op zoek gaat naar die verloren tijd’. En heimelijk hoopt dat die ooit en definitief in ere zal worden hersteld.


Was de periode die Mulder in Anderlecht verbleef, van 1965 tot 1972, de spannendste, prikkelendste en meest intense uit zijn leven? Van de provincie naar de grootstad. Van puberteit tot volwassenheid. Huwen met de liefde van zijn leven. De geboorte van zijn kinderen. De dood van zijn vader, slechts beleefd op afstand. De sportieve triomftocht. De adoratie door de massa. Het onaangekondigde en plotse – en daardoor onverwerkte? – afscheid in 1972. Bij een verwarrende en emotionele toestand: tussen euforie (winst van het landskampioenschap op de laatste speeldag; de overstap naar het Ajax van Johan Cruijff), conflict (met de trainer, in mindere mate met de voorzitter) en onzekerheid (de al knagende blessure aan de knie, het verlaten van de vertrouwde omgeving).

Wat is de diepere betekenis van dat gevoel voor Anderlecht? Vanwaar die fascinatie? Zijn het de namen van de straten in de buurt van het stadion Astridpark? Zeker, er is de niet bij Mulder passende ‘Koning-Soldaatlaan’, maar de meeste andere werden genoemd naar componisten: Chopin, Van Beethoven, Debussy, Tinel, Lekeu, Vieuxtemps. Men roemt zowel de Australische operazangeres Nellie Melba als de Franse toondichter Charles Gounod. De laan die het beste beeld geeft op het aparte landschap – met name stadion in park – droeg men op aan Eugène Ysaye, een Belgische vioolvirtuoos uit de negentiende eeuw. Ysaye baande zich een pad naar de buitenissigheid, stond soms onder invloed van drank op het podium en twistte voortdurend met zichzelf om een evenwicht te vinden tussen de geniale gekte en de door de muziek opgelegde patronen. Kent Jan Mulder Ysaye? Deze man moet hem toch bekoren?

Wat weet Jan Mulder van La Maison des Artistes? Dat Huis der Kunstenaars situeerde zich van net na de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig in het park als silhouet van het stadion van Anderlecht. Het was een centrum voor concert, theater en feest. Waar verhalen verteld werden van leute en plezier, van hartzeer en smart. Men filosofeerde er over vrijheid en fantasie. Kan de kunstenaar zonder de fantasie? Waar ligt de dunne lijn tussen discipline en vernuft? Tussen grillige individuele hoogbegaafdheid en collectiviteit? Wie ze gevonden heeft, bezit de sleutel tot de kunst van het voetballen. Dé kunst van het voetballen van het Anderlecht van de jaren zestig, le football champagne. Met de jonge Jan Mulder als exponent én criticus van het systeem. Het Astridpark is dus omgeven met een air van een centre de l’art.

Vond Jan Mulder zijn spirituele thuis in de historische Meirwijk? De triomf van de l’Art Deco schenkt de bezoeker en bewoner rust en inspiratie. De huizen rond het park ademen de tijd van het Interbellum: esthetische gevels met Engelse balkons, Franse façades, Japanse glasramen en Italiaanse renaissancetorens. Kunstkenners beschrijven het Quartier du Meir als een ‘complexe stilistische beweging’, die stijlen verlegt en vermengt: art deco, modernisme, beaux arts.
Bestaat er een betere bedding dan deze beaux arts voor een huis der voetbalkunstenaars?
Aan de achterzijde van het park loopt de Avenue Théo Verbeeck. De laan die verwijst naar de beroemde voorzitter telt van oudsher een hele rij supportersetablissementen. Ze mondt uit op de Place de Linde, met die ene oude heilige lindeboom voor de karakteristieke herberg ‘Le Chateau d’Or’ – het ‘Gouden Kasteel’ – waar de zoete, rode kriekenlambiek gul uit het vat stroomde.
De bal en de boom, de poëzie van het park, de kunst, de kroeg en de kriek. Heeft het Jan Mulder – in zijn onderbewustzijn – gemaakt tot de mens die hij is geworden?
‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen, en niet slapend denk ik aan de dood.’ Het is de vertrouwde versregel van de Hollandse dichter J.C. Bloem. Mogen we met enige zin voor overdrijving – of toch weer nét niet – deze ook toepassen op ons thema: ‘Denkend aan Anderlecht kan ik niet slapen, en niet slapend denk ik aan Anderlecht.’? Ziedaar zijn Anderlecht State of Mind.
De echte roots van de complete, complexe mens Jan Mulder liggen in Brussel. Daaraan dacht ik in die bruine literaire voetbalkroeg van Amsterdam, waar het goed vertoeven is. Café Scheltema, 1 november 2010.

Werder Bremen is in de volgende twee duels van de Champions League de tegenstander van FC Twente.

Wandelen in het stadscentrum van Bremen. Achter het stadhuis: de vier Bremer Stadsmuzikanten, zijnde de verstoten dieren haan, kat, hond en ezel uit het sprookje van de gebroeders Grimm. Vrolijke gestoordheid want ze hoopten als muzikant aan de slag te kunnen, terwijl ze niet konden zingen. Ze vonden toch een warm welkom in de voormalige vrije stadstaat onder de vleugels van de Bremische Bürgerschaft en oefenden er probleemloos hun ‘beroep’ uit. Het ‘gejengel’ was niet om aan te horen maar niemand die er zich aan stoorde.
Men passeert het door de UNESCO in de lijst van het Werelderfgoed opgenomen plein voor het Bremer Rathaus: gotische architectuur uit de veertiende eeuw met een groen dak. Over het stadhuis: het enorme standbeeld van Roland, de ridder die sinds 1404 waakt over de zelfstandigheid van Bremen.

Wandelen van het stadscentrum naar het stadion. Men vertoeft in de straatjes met de namen van Salvador Allende, Imre Nagy en JF Kennedy. Democratisch verkozen president van Chili, vermoord (1973) door fascistische militairen. Hervormingsgezinde premier van Hongarije, geëxecuteerd (1958) door stalinistische geheime dienst. Bewoner van het Amerikaanse Witte Huis, neergekogeld (1963) door een gevaarlijke gek. Ze deelden het geloof in de rechten van de mens. Bremen eert zijn wereldwijde inspiratiebronnen.

Wandelen rond het stadion van Werder. Men kijk naar de romantische rivierbocht van de Weser. Naar Café Sand aan de overkant, de kroeg van de zomerliefdes. En naar de burgershuizen in Art Deco. Werder werd gesticht in 1899 en de naam verwijst naar ‘weerd’ of ‘waard’: een vlakland in een waterlopengebied. Zo ziet de omgeving er nog steeds uit.
In het negentiende eeuwse landschap van het Park Hotel ontmoet ik Willi Lemke, vandaag de Special Advisor on Sport for Development and Peace van de Verenigde Naties. In een vorig leven was hij manager van Werder Bremen. Van 1981 tot 1999, onder zijn beleid namen de groenwitten hun vlucht voorwaarts. Willi Lemke raakte in de jaren zeventig in de ban van bondskanselier Willy Brandt, de verlichte sociaaldemocraat (SPD) met pleidooien voor ontspanning tussen Oost en West en herverdeling van Noord naar Zuid. Lemke overtuigde Brandt op zijn beurt, via diens derde vrouw Brigitta, tot sympathie: unsere Herzen schlagen Grün und Weiss.

Willi Lemke, van 1974 tot 1981 in de stedelijke SPD-politiek, structureerde het weggezakte Werder. Samen met trainer Otto Rehhagel en professor Narciss Göbbel. Deze drie mannen tekenden, elk met een eigen levensparadox, voor Werder de perfecte voetbalbedrijfcombinatie uit. De gedisciplineerde coach (1981-1995) ontwierp een aantrekkelijke stijl. De pedagoog (1982-2002) bedwong het vandalisme. De sociaaldemocratische manager verleidde de ondernemers. Lemke nodigde het liberale bedrijfsleven uit en geldt als Duitse pionier van het businessdenken in het stadion. Hij ontwierp de lijn van de ‘commerciële communicatie’ via het voetbal. De marathonloper gaf Werder een ‘sociaal’ gezicht. Dat contrasteerde hevig met onder meer Bayern München. De Beierse manager Uli Hoeness schold zijn ‘collega’ uit voor ‘klassestrijder’ en verklaarde hem voor gek. Lemke negeerde de schimpscheuten en polijstte de ‘weg van Werder’: modern management, behoud van de clubcultuur en het herstel van het sociale weefsel.
Onder Lemke klom Werder uit het dal van de Zweite Bundesliga (1981) en won twee landstitels (1988, 1993), drie bekers (1991, 1994, 1999), drie supercups (1988, 1993, 1994) en de Europacup der Bekerwinnaars (1992). Vier keer eindigde men op de tweede plaats. In het voorbije decennium voegde men er nog eens vijf prijzen (kampioen 2004, beker 2004 & 2009, Ligapokal 2006, supercup 2009), één verloren UEFA Cupfinale (2009) aan toe. En verder: twee keer tweede, drie keer derde. Met een onvoorwaardelijk geloof in het offensieve concept. Manager Klaus Allofs en coach Thomas Schaaf staan al een decennium aan het roer en trekken de door Lemke ingezette traditie van stabiliteit in het beleid door. Schaaf presenteert zich bij maatschappelijke activiteiten geregeld als uithangbord. Willi Lemke benadrukt dat Werder de eerste Duitse profvoetbalclub was die zijn sociale verantwoordelijkheid heeft opgenomen: ‘We ontwierpen het concept van ‘Fanprojekt’ en tot vandaag behoort ‘Soziales Engagement’ tot onze basisprincipes. De gemeenschap is belangrijk voor ons: zorg voor kinderen én ouderen; gehandicapten; mensen met buitenlandse achtergrond; samenwerking met scholen en buurten; internationale solidariteit. Het gebeurt àllemaal onder de groenwitte vlag van Werder. Dat vormt onze identiteit. Ik had steeds een zwak voor de mensen op de staanplaatsen. Zij maken immers de sfeer door te dansen en te zingen. Ik wilde hen betaalbare prijzen aanbieden. Ik ben blij dat onze fans ook op dit ogenblik nog het initiatief nemen in dit debat.’
In het verlengde van zijn huidige opdracht als UNO-ambassadeur helpt Werder een nieuw voetbalverhaal schrijven in het Israëlische Bethlehem: ‘Football Clubs for Development and Peace’. Telkens 11 jonge vrouwen en mannen uit de Palestijnse gebieden volgen gedurende één jaar een opleiding met een apart karakter. De bewegingsvrijheid van Palestijnse kinderen in het dagelijks leven is zeer beperkt. Via het concept educatie door voetbal trachten coaches en sociale medewerkers van Werder hier verandering in te brengen: ‘Während eines Jahres werden sie von professionellen Trainern von Werder Bremen in Zummenarbeit mit lokalen Institutionen lernen, wie sie Kindern durch Fussballspielen Sozialkompetenzen und Grundwerte vermitteln.’

Uit enthousiasme koop ik een CD met Werder Songs maar beklaag me dit snel. De gezangen van de fans – Lebenslang Grün und Weiss – klinken sympathiek en vol bezieling maar het blijft rock’n roll op z’n Duits: een eeuwige gesel voor de oren. Zelfs gezellige gestoordheid heeft zijn grenzen. Ik maak me uit de voeten en verkies de kakafonie der Bremer Stadsmuzikanten.

Link naar clublied Werder Bremen:

‘Lula’s government has been the best in Brazil’s history. A birthplace of a new civilisation based on harmony, happiness, spontaneity, creativity and freedom.’ Ziedaar de woorden van Socrates, de voetballende dokter tegen de dictatuur in de Engelse krant The Guardian. Hij quoteert het regeringswerk van zijn vriend en geestesverwant Lula – vakbondsleider-mensenrechtenactivist-president – met een acht.

Socrates (1954) schrijft tegenwoordig boeken en theaterstukken, maakt muziek en is consultant in de sector ‘sociale, culturele en sportieve projecten’. Wie herinnert zich niet die briljante Braziliaanse balkringloop tijdens het WK 1982? Futebol Arte volgens de Socratische dialoog: via ironische filosofie de weg naar de wijsheid. Kunst, intelligentie en gekte door elkaar. De superlatieven zoemden rond het sambaspel. Ware er niet, die ellendige supersonische Italiaanse Paolo Rossi die Socrates’ Selecao drie keer torpedeerde (3-2). De geelgroene kanaries werden geen wereldkampioen. Socrates bezon zich over een nieuw ideaal: een twist met de dictatuur, dat naargeestig gezelschap van muffe militairen. Als lid van de immens populaire Sport Club Corinthians Paulista uit de industriestad Sao Paulo, kortweg Corinthians, dokterde hij aan zijn droom. I have a dream, die gaf hij een naam: Democracia Corintiana! Een beweging voor burgerrechten vanuit het voetbal. In een land dat sinds 1964 kreunde onder de tirannen, met die lui lig je liever niet te zonnen op de Copacabana. In 1982 stond Socrates op voor zijn rechten. Democracia Corintiana eiste openlijk medezeggenschap en pokerde tegen het corrupte clubbestuur. Samen met Wladimir en Walter Casagranda leerde Socrates de spelers deelnemen aan het proces van discussie, vrije mening en democratische consensus. Met tussendoor een vleugje schuine moppen. Men debatteerde over de spelstijl – creatief en aanvallend – en over de verdeling van de inkomsten maar evengoed over de onderlinge omgangsvormen: wanneer en wat eten we? Een dagelijks rumritueeltje met de cachaça-cocktail? Seks voor of na de match?

De nieuwe voorzitter organiseerde ‘culturele vorming’ en deelde bij goede resultaten tickets voor theater en bioscoop uit. Socrates experimenteerde met een vorm van individueel stemrecht. Een onbekend fenomeen dat de zenuwen der sabelslepers danig op de proef stelde. De spelers leerden hun eigen lot in handen nemen. Ze besloten eerst wat te balen over de profiteursmentaliteit der Braziliaanse bobo’s. Vervolgens vuurden ze kritiek af op de politiek. Of beter gezegd: ze laakten het gebrek aan vrijheid. Met ludieke acties. Ze riepen de fans op om ideeën te formuleren voor op de shirts. Reclameboodschappen, grappige mededelingen en sociale slogans. Zoals: ‘Verkiezingen nu!’. En zo geschiedde: Democracia Corintiana kondigde zich aan als de voorloper van de vreedzame nationale bevrijdingsbeweging Diretas Jà: de simpele eis voor parlementaire en presidentsverkiezingen. Op 27 november 1983 protesteerden 40.000 Paulista’s. Met de nodige symboliek: voor het Estadio do Pacaembu van Corinthians, aan de Plaça Charles Miller, naar de Schotse stichter van het Braziliaanse voetbal in de negentiende eeuw.

Op 16 april 1984 zongen en scandeerden 1,5 miljoen mensen in de straten van Sao Paulo: geen groter menselijke ketting geweest in de Braziliaanse geschiedenis. De Democracia Corintiana was dààr! Socrates en de zijnen genoten respect bij artiesten, zakenmensen, politici en activisten. Het meest nog: bij de eenvoudige voetbalfan. De grimassen der generaals werden steeds grimmiger. In 1985 trok het front van Diretas Jà aan het langste eind. Eén van hun leiders balde de vuist: Luiz Inacio Lula da Silva. De gevangenissen hadden al hun sinistere geheimen voor hem geopenbaard. Daar begon zijn lange weg naar vrijheid. Hij huilde toen hij aan Corinthians, zijn zwartwitte lievelingsclub-voor-het-leven, dacht. Democracia Corintiana, kampioen in 1983, bracht hem in de juiste stemming. Zijn vriend Socrates trok aan zijn sigaartje. Hun samenspel zou uitmonden in één van de beste één-tweetjes der moderne Braziliaanse tijden.